Kavels

De vaste kavelmaat van 300 x 800 meter, die consequent in de hele polder is toegepast, geeft de polder eenheid en samenhang.
De maat tussen twee parallelle polderwegen is steeds 1600 meter.
Omdat de meeste wegen zijn beplant is de ervaring van de maat van de ruimte overal in de polder ongeveer gelijk.
Doordat de vaste kavelmaat vanuit de randen en vanuit de hoofdvaarten is uitgezet ontstaan verschillende verkavelingsrichtingen in de polder.
Omdat de ontginning van de polder vanuit de randen plaatsvond staan de kavelrichtingen haaks op de polderrand.
Dat draagt bij aan de herkenbaarheid van de randen als aparte zones.
Daarmee wordt het principe van de concentrische opbouw versterkt.
Door deze wijze van ontginning heeft de polder veel verschillende kavelrichtingen.
In het terrein is dat niet heel opvallend, omdat de verkaveling altijd loodrecht op de polderwegen ligt en het landschap vanaf de wegen wordt beleefd.

De verkaveling is ontworpen in dienst van de landbouw
en gaat uit van eenheden van 24 hectare,
bestaande uit rechthoekige percelen
met een standaardmaat van 300 bij 800 meter.

De boerderijen staan in groepen van 2 of 4 bij elkaar,
op de hoeken van deze percelen.
De erven zijn doorgaans 100 meter diep en 80 tot 100 meter breed
en worden omringd door strakke singels.

Erf inrichting

De architecten kregen enige ruimte om kenmerken van erf inrichting uit het herkomstgebied van de toekomstige bewoner in het ontwerp mee te nemen,
maar de bewoners zelf hadden geen invloed op de inrichting van hun erf.
Het ontwerp voor de siertuin, de moestuin en de boomgaard was gericht op zelfvoorziening.
De aanleg hiervan moest de pachter zelf verzorgen. Opvallend was het verschil in inrichting tussen bouwboer en veeboer.
Veeboeren wilden hun koeien zien, de achterzijde bleef bij hen daarom vaak open en er werd geen boomgaard aangelegd.

Windsingels

De meeste erven hebben aan drie zijden een singel. In de winderige polder werden door de toenmalige Directie van de Wieringermeer, later de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, brede singels aan de windkant geplaatst en smalle singels aan de luwe kant . De wegkant bleef open en werd ingericht als siertuin.
Op de grotere bedrijven zijn de noord- en westsingel maximaal 7 meter en de oostsingel maximaal 5 meter breed.
Op kleinere bedrijven respectievelijk 5 en 3 meter breed. De zuidsingel is overal maximaal 3 meter breed. Er werden boom- en struiksoorten gekozen die snel uitgroeiden tot forse windkeringen. De opbouw van de singel met een luchtig bovenscherm van opgaande bomen en een dicht onderscherm van struiken vormt een goede windkering. De hoofdhoutsoort van de boometage in de singels komt meestal overeen met de soort in de wegbeplanting, zodat dit de homogeniteit van beplanting versterkte.