De Noordoostpolder komt echt van de tekentafel.

En bijzonder hiërarchisch in opzet.
Het wegen- en watersysteem loopt van groot naar klein
De ordening van agrarische bedrijven verloopt naar grootte.
De grote polderbedrijven liggen centraal, de kleine polderbedrijven aan de randen.
De opzet van de dorpskernen was niet minder hiërarchisch.
Emmeloord met streekverzorgende functie in het centrum en de dorpen rondom.

Waarom 10 dorpen ?

De polder kwam er voor de boeren.
Die boeren hadden arbeiders en die arbeiders hadden (veel) kinderen.
Ze moesten op de fiets naar hun werk. Brommers waren er nog niet.
De kinderen moesten op de fiets naar school.
En de vrouw moest op de fiets naar de bakker.

kortom:

daarom werd de fietsafstand (5 tot 8 km) bepalend.

Men gebruikte ‘de centrale plaatsentheorie’ van de Duitse geograaf Christaller.


Een centrale hoofdplaats – Emmeloord – met op de 6 hoekpunten  plaatsen van lagere orde.

  • Marknesse
  • Ens
  • Nagele
  • Espel
  • Rutten
  • Kuinre telde mee als zesde

De rest van de bewoners zou zich op het platteland kunnen vestigen in boerderijen en kleine gehuchten met arbeiderswoningen.
In 1936 werd begonnen met het aanleggen van de dijken om de Noordoostpolder die in 1940 klaar waren.  Daarna begon het droogmalen van het gebied dat in 9 september 1942 officieel droogviel.

Dat is dit jaar dus 75 !  jaar geleden.

De Christalleriaanse zeshoek (honingraat- of hexagonaal patroon)

Spijt.

De theorie was al achterhaald voor de schilderijtjes aan de muur hingen.

Boeren gingen mechaniseren, dus niks geen arbeiders.
Die arbeiders hadden trouwens toch al snel een auto.

Het bestaansrecht van de kleine kernen is altijd kritisch geweest. Geen Supermarkt. Geen huisarts. Nog net een basisschooltje.
In de nieuwe polders heeft men daarvan geleerd. Daar koos men voor minder maar grotere kernen. (Lelystad, Dronten etc)

De Polder

Voor de Noordoostpolder…
Voorafgaand aan de ontwikkeling van de Noordoostpolder gaat de geschiedenis nog verder terug. Zo’n 10.000 jaar geleden, toen er nog geen zee was, bestond dit gebied uit een landschap met zandkoppen, vlaktes en rivieren. In dit landschap liepen jagers en verzamelaars rond. Er liepen veel rivieren tussen Urk en Schokland. Daar waar een vroegere rivier liep, tegen de A6 aan, vinden we daarvan nog resten terug in de ondergrond. Dit gebied is tot aan het begin van de jaartelling bewoond geweest door jagers-verzamelaars en vroege boeren. Daarna werd het gebied te nat en werd het langzamerhand zee. Pas met de drooglegging kon er opnieuw gewoond worden en begint de recente geschiedenis van de Noordoostpolder (met uitzondering van Schokland en Urk).

 

Hier komt illustratie exc gids 1947

Hier komt de Poldertoren

Paalkop en visresten


I.

IJsselmeerpolders, de ontwikkeling van de dorpen en steden.
Op 1 mei 1919 kwam de Dienst der Zuiderzeewerken tot stand. Een jaar later werd er begonnen aan de dijk naar het toenmalige eiland Wieringen. Na de dijk naar Wieringen was het even stil rond de inpoldering door de economische problemen van die tijd. De Wieringermeerpolder viel in 1930 als eerste van de vijf aan te leggen polders droog. Twee jaar later werd het laatste gat in de Afsluitdijk gesloten en hield de Zuiderzee op te bestaan. Het IJsselmeer was geboren.

In de Wieringermeer werd Granpré Molière vanaf 1926 esthetisch adviseur. Hij gold destijds als een van de meest vooraanstaande architect-stedenbouwkundigen. Hij had naam gemaakt als een van de ontwerpers van het Rotterdamse tuindorp Vreewijk en was sinds 1924 hoogleraar bouwkunde aan de Technische Hogeschool in Delft.

Het hoofdverkavelingsplan en het wegenplan van de Wieringermeerpolder lagen al grotendeels vast omdat deze werden bepaald door de waterbouwkundige en landbouwkundige eisen. Granpré Molière moest zich vooral bezighouden met het ontwerp en de ligging van de dorpen. Deze lagen op kruispunten van wegen en kanalen. Hij werd vanaf 1927 betrokken
bij de uitwerking van de verkaveling. Hij schreef in eerste instantie nota’s, voorlopers van de latere ‘surveys’ (sociografisch onderzoek met onderbouwing waarop de ruimtelijke planning kon worden gebaseerd) in de Noordoostpolder, om grip te krijgen op de inwonersaantallen en de samenstelling van de toekomstige bevolking van de Wieringermeerpolder en zijn dorpen. Hij schatte dat het poldercentrum (Wieringerwerf) maximaal 4.000 inwoners zou omvatten (grotere landbouwdorpen kende Nederland niet) en de overige kernen minder. De bebouwing werd in het begin geconcentreerd in de drie centrale kernen: Wieringerwerf, Slootdorp en Middenmeer. Vanaf 1929 presenteerde Granpré Molière zijn ontwerpen voor de hoofdkern en de omliggende dorpen. Over de kleinere omliggende kernen zei hij: ‘De overige nederzettingen zijn gedacht als een eenvoudige aanleg om een ruim grasveld, waarbij de voornaamste openbare gebouwen aansluiten, en een omgrenzing van laantjes in geboomte. Ze liggen… ter zijde van de hoofdverkeerswegen, waar ze overigens onmiddellijk op uitmonden. Naar de eisen van de situatie zal uiteraard elk dezer kernen een eigen karakter verkrijgen’ (uit: J.T.W.H. van Woensel, Nieuwe dorpen op nieuw land, p.38).

Omdat hij zijn student J.J.M.Vegter een studie liet doen naar Schiermonnikoog is het vermoeden dat de dorpsschema’s op dit dorp zijn gebaseerd. Net als in de Noordoostpolder speelt het vraagstuk of de hoofdwegen door of langs de dorpen moet lopen. De drie dorpen krijgen alledrie een brinkruimte met daaraan de winkelvoorzieningen, een dorpsbos en groen rondom het dorp dat als windscherm diende. Elk dorp lag aan een vaart met een loswal. Deze kenmerken zijn in alle Noordoostpolder-dorpen en in de Noordoostpolder-stad terug te herkennen. In de drie dorpen van de Wieringermeer werden de meeste woningen gebouwd voor de landarbeiders, met diepe kavels (30-60 meter), waardoor de landarbeiders over een eigen moestuin konden beschikken. Er werden daarnaast middenstandswoningen gebouwd en tevens enkele woningen voor de notabelen van het dorp. Granpré Molière ontwierp voor elk van de drie dorpen een samenhangend plan voor het landschap, de stedenbouw en de architectuur in de stijl van de Delftse School en gaf bij de presentatie van de plannen aan dat dit niet de definitieve plannen waren:
‘Een uitbreidingsplan is geen bestek, maar meer een beeld, dat men zich op een zeker tijdstip van de ontwikkeling voorstelt; het kan niet worden gemist, want dan ontstaat er chaos in plaats van orde; maar het kan evenmin onwrikbaar worden vastgehouden, want het leven voltrekt zich niet mechanisch’ (uit: J.T.W.H. van Woensel, Nieuwe dorpen op nieuw land, p.39-40).

 pol100
 Verkavelingsplan Wieringermeer (bron: Woensel, van, J.T.W.H ‘Nieuwe dorpen op oud land’)
pol101 pol102 pol103
Slootdorp, ontwerp uit 1931 door Granpré Moliere Slootdorp, wonen aan de Brink Slootdorp, winkels aan de Brink

 

Op 3 oktober 1939 gaven de Burgemeesters Keijzer van Urk en Krijger van Lemsterland elkaar een hand op het enkele minuten daarvoor gesloten gat in de dijk van de nieuwe Noordoostpolder. Urk was op dat moment geen eiland meer.
De oorlog zette enigszins de rem op de verdere ontwikkeling. Na de oorlog begon de voorloper van de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders met de uitgifte van grond en kwamen de woonkernen van de grond. De ontwerpen voor de polderdorpen en de polderstad van de Noordoostpolder startten eind jaren dertig. Bij het ontwerp werd gebruik gemaakt van de in de Wieringermeer opgedane ervaring.

Ook in de Noordoostpolder had het bureau van Granpré Molière een grote invloed op het ontwerp van de dorpen. Verhagen, de partner van Granpré Molière maakte in 1939 en 1940 de eerste schetsen voor zes polderdorpen en de polderstad. Dit werd gedaan om de dorpen te positioneren in het verkavelingsplan. De bijna ronde vorm van de polder, maakte het logisch om in het geografische midden het streekcentrum te projecteren met voorzieningen als een ziekenhuis, schouwburg en scholen voor voortgezet onderwijs. Dit voorzieningencentrum werd de Noordoostpolder-stad Emmeloord. De snel veranderende inzichten van sociografen, stedenbouwkundigen en de landbouwkundige afdeling van de Directie van de Wieringermeer leidden uiteindelijk tot een plan voor een centraal gelegen polderstad met daaromheen tien polderdorpen. Tussentijdse plannen voor gehuchten van rond de veertig tot zestig bewoners (landarbeidersgezinnen) met een schooltje haalden het niet. De kans op maatschappelijk isolement van deze voor vrouwen en kinderen ongezellige buurtjes werd te groot. Landarbeiders die in de Wieringermeer werden geacht vanuit de dorpen naar het platteland te verhuizen bleken liever in de dorpen te wonen. De landarbeiders van de Noordoostpolder kregen daarom in de Noordoostpolder vaste woonruimte in de dorpen. De stad kreeg de functie van voorzieningencentrum, en een sociaal, economisch en cultureel centrum van de polder. Het schema voor de dorpen en de stad versterkte het overkoepelende landschapsplan voor de Noordoostpolder.

01 schema huidige Noordoostpolder met stadskruis en dorpenring 04 verkavelingsplan Van Eesteren 1948 Grandpre Moliere links en zijn compagnon Verhagen aan het Bergumermeer 28 augustus 1925. Foto NAI
Schema huidige Noordoostpolder: een polderstad op het kruispunt van hoofdwegen (stadskruis) met daaromheen een ring met tien dorpen Uitsnede uit het verkavelingsplan Noordoostpolder 1949 van Van Eesteren (bron: NLE) Granpré Molière (links) en zijn compagnon
Verhagen aan het Bergumermeer, 28 augustus 1925 (foto: NAI)

Bij de inrichting van de Noordoostpolder werden negen dorpen door een ringweg met elkaar verbonden. Rutten, het tiende dorp, lag aan een uitloper van deze ‘dorpenring’. Emmeloord ligt op het kruispunt van de hoofdwegen, dat de polderstad met de polderdorpen verbindt. We noemen dit ‘het stadskruis’. Het ‘stadskruis’ markeert het middelpunt van de Noordoostpolder, de ligging van de poldertoren benadrukt dit. Naast het stadskruis is er het polderkruis. Deze kruisende hoofdwegen doorkruisen de Noordoostpolder en verbinden de polder met de Flevopolder, het ‘oude land’ en Urk. Vroeg in 1947 was het ruimtelijk schema van de polder minder complex. Pouderoyen, de ontwerper van het definitieve plan voor Emmeloord, tekende één kruis, het zogenoemde ‘assenkruis’ van de Noordoostpolder. Het assenkruis kreeg in de eerste schetsen extra nadruk door landschappelijke beplanting. Vanaf 1948 verschenen de twee parallelle kruisen weer op de kaarten: het assenkruis deelde zich op in de twee kruisen. Het stadskruis en het polderkruis.

Na de Noordoostpolder werd er met de aanleg van Oostelijk Flevoland begonnen. Was het bij de Noordoostpolder nog zo dat men voornamelijk landbouwgrond wilde winnen, de nieuwe polder zou de bevolking van de overvolle Randstad moeten opvangen.

Verkavelingsplan Wieringermeer 04 verkavelingsplan Van Eesteren 1948 Schema ruimtelijke indeling met assenkruis ... Beplantingsplan Van Eesteren 1948
Verkavelingsplan Noordoostpolder uit 1939 (Directie Wieringermeer): een centrum met daaromheen zes dorpen (bron: NLE) Verkavelingsplan Noordoostpolder uit 1949 van Van Eesteren. Een centrum met daaromheen tien dorpen (bron: NLE) Schema ruimtelijke indeling van de Noordoostpolder, Pouderoyen, januari 1947 (bron: Wonen TABK, 14 | 85) Beplantingsplan van Van Eesteren uit 1948. Duidelijk zichtbaar zijn het polderkruis en het stadskruis van Emmeloord (bron: NAI)


Bron: Mercatus en gemeente Noordoostpolder

2519796