DNA van een dorp als bouwsteen voor de toekomst

De dorpen van de Noordoostpolder zijn niet ontstaan in een langdurig groeiproces, maar het resultaat van gedegen studie en weloverwogen planologisch handelen. Polder en dorpen samen vormen een uniek integraal ontworpen gebied. De waardering voor deze tot wasdom gekomen jong ontworpen dorpen neemt toe. Maar hoe houdbaar zijn deze dorpen op de lange termijn? De samenleving is ten opzicht van de jaren vijftig fundamenteel veranderd. Er is vraag naar meer diversiteit en flexibiliteit ten opzichte van het oorspronkelijke ontwerp.

 

RTEmagicC dia 3-2.JPG RTEmagicC dia 3-1 01.jpg
Een centrale ruimte met winkels en voorzieningen (Tollebeek) Eenheid in vormgeving en materiaalgebruik (Espel)

De nederzettingen in de Noordoostpolder

De Noordoostpolder heeft twaalf nederzettingen. Een van deze nederzettingen is het voormalige eiland Schokland.

De overige elf nederzettingen in de Noordoostpolder zijn na de Tweede Wereldoorlog na de drooglegging van de polder gebouwd. Deze nederzettingen bestaan uit de centraal gelegen stad Emmeloord en de tien dorpen daaromheen.

De dorpen in de Noordoostpolder hebben een aantal principes gemeen (familiekenmerken), die te beschouwen zijn als het ‘polder-DNA: Een centrale dorpsbrink waaromheen de winkels en andere voorzieningen liggen, kerken en scholen op markante plaatsen, mee-ontworpen groenstructuren, een stratenpatroon dat bewust niet recht en hoekig is en eenheid in de gebouwen door vormgeving en materiaalgebruik. Dit alles conform de ideeën van prof. ir. M.J. Granpré Molière, de aanvoerder van de stedenbouwkundige ontwerpstroming ‘Delftse School’. Een van de dorpen vormt de uitzondering. Dit is Nagele. Hier is gepoogd een aantal doelstellingen van een andere ontwerpstroming te realiseren; ‘Het Nieuwe Bouwen’.

Herstructureringsopgave in de kernen

De wijken en straten van voor 1962, die zijn gerealiseerd volgens de ideeën van de Delftse School en Het Nieuwe Bouwen, vormen de dorpskernen van de tien polderdorpen. De woningbouw in deze wijken voldoet echter in veel gevallen niet meer aan de kwaliteitsvraag van deze tijd. De woningen zijn klein, slecht geïsoleerd en sluiten niet meer aan op de woonwensen van nu. Het aanbod sluit niet aan op de vraag. Starters en gezinnen trekken naar de nieuwe buitenwijken, waardoor de kernen in verval dreigen te raken.

01-nieuwbouw-de-veldedia 4-1
Voorbeeld van sloop en nieuwbouw in Bant (bron: De Velde architecten)

Toekomstbestendige dorpen

Gemeente en corporatie geven aan dat sloop en nieuwbouw als maatregel alleen niet meer aansluit bij hun wensen. Het bewustzijn dat de jaren ‘50 en ‘60 wijken een zeker erfgoed vertegenwoordigen is toegenomen.
Er is behoefte te verkennen welke nieuwe kwaliteit je kunt ontwikkelen met de stedenbouwkundige structuren en de architectuur van de sterke stedenbouw van Granpré Molière en zijn tijdgenoten en welk hergebruik passend is. De ‘familiekenmerken’ van de polderdorpen zijn een inspiratie voor de toekomstige opgaven.
Dit onderzoek geeft bouwstenen voor de komende herstructurering en geeft de kansen voor het herontwikkelen en het hergebruik van de Delftse-Schoolstedenbouw om daarmee de kernen nieuw leven in te blazen.

Bouwstenen voor de herstructurering

De Noordoostpolder is geplaatst op de voorlopige lijst van Werelderfgoed. De indruk bij veel mensen is dat er daardoor veel aandacht voor het conserveren is in plaats van ontwikkelen (‘de kaasstolp’). Daarom is gekozen voor een doelgerichte aanpak. De opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden worden in deze publicatie concreet zichtbaar gemaakt. Het hoofdstuk ‘de polder’ biedt informatie over de ontstaansgeschiedenis van de polderdorpen, de kenmerken van de Delftse School en Het Nieuwe Bouwen en de overkoepelende eigenschappen van alle polderdorpen. Hoofdstuk 2, ‘de dorpen’, laat de kenmerken per dorp zien: de historie, het dorps-DNA (wat maakt het dorp het dorp?) en de identiteit.
Het laatste hoofdstuk belicht, gericht op de toekomst, de herstructureringsopgaven en verschillende oplossingsrichtingen. Deze oplossingsrichtingen zijn uitgewerkt en als voorbeeld is een aantal dorpen gebruikt waar de opgave urgent is. Ook zijn hier de opgaven per dorp in beeld gebracht. Er is onderscheid gemaakt tussen urgente opgaven en opgaven die op de langere termijn aangepakt kunnen worden.

Delftse School, eerste ontwerp voor zes polderdorpen

Tussen begin jaren dertig en begin jaren vijftig werd de volkshuisvesting in de IJsselmeerpolders in de Delftse traditionalistische stijl uitgevoerd. De voorman van deze stedenbouwkundige en architectonische stroming was Granpré Molière. Waar hij in de Wieringermeer zelf de dorpen ontwierp bekleedde hij in de Noordoostpolder de functie van adviseur op de achtergrond. Zijn bureau Granpré Molière, Verhagen en Kok kreeg in 1939 opdracht schetsen te maken voor zes polderdorpen en het poldercentrum Emmeloord in de Noordoostpolder. Hiermee werd de basis gelegd voor het uiteindelijke ontwerp van de tien polderdorpen. De invloed van de Delftse School is in heel Nederland terug te herkennen. De polders waren echter een groot laboratorium voor ruimtelijk ontwerp, stedenbouw en gemeenschapsplanning. Hier werden nieuwe dorpen als totaalontwerp getekend en gebouwd.

polder totaal
Schets uit 1939: een centrum met daaromheen 6 dorpen

De uitwerking van de polderdorpen vond plaats onder auspiciën van de Bouwkundige afdeling van de Directie Wieringermeer en meerdere externe architecten. Het ontwerp voor het tiende dorp Nagele, uit 1954, markeert de overgang naar een nieuwe tijd. In Nagele zijn de typische kenmerken van Het Nieuwe Bouwen te herkennen.

Delfts Rood

De ‘Delftse-Schooldorpen’ in de Noordoostpolder bestaan veelal uit rijtjes woonblokken met de bekende rode baksteen en oranjerode pannen. Sober uitgevoerd, soms met bijzondere details. In alle dorpen bepalen deze ‘Delfts rode’ woonblokken het beeld van de dorpskern, in veel dorpen ook het dorpsaanzicht.

Van Delfts Rood naar modernistisch wit

Wat de dorpen extra bijzonder maakt is de overgang naar een nieuwe stroming in de architectuur en stedenbouw. In de jaren vijftig raakte ‘Het Nieuwe Bouwen’ in zwang. De architectuur wordt aangeduid als modernistisch wit, als tegenhanger van het Delfts Rood. Het dorp Nagele is het unieke dorp waar de ideeën van deze functionalistische ontwerpstroming ver zijn doorgevoerd. In de andere dorpen zijn soms al kleine ingrepen en veranderingen te zien ten opzichte van de opvattingen van de Delftse School. Het gaat dan om de eerste vormen van op de zon georiënteerde ‘strokenbouw’, een meer horizontale, minder traditionele en minder formele architectuur. Veel gebouwen zijn te herkennen als ‘overgangstypes’, waarbij gevels bijvoorbeeld al worden voorzien van horizontale ramen en ramen of dakkapellen die door de dakgoot steken.

dia 27-1 dia 9-2 dia 18-2 dia-9-3-dia-18-3
Delftse School (Emmeloord) ‘ Overgangstype’ (Tollebeek) Het Nieuwe Bouwen (Nagele)

De ontwikkeling van de polder en de dorpen

De stedenbouwkundige verkaveling van de Noordoostpolder werd opgesteld door de Dienst der Zuiderzeewerken en Directie van de Wieringermeer. Het verkavelingsplan werd gemaakt door waterstaatskundige en landbouwkundige ingenieurs. Stedenbouwkundigen werden in de laatste fase betrokken, bij het nadenken over de dorpen.

Vanaf 1938 werd gewerkt aan het bewoningsplan door ingenieur Van der Bom van de Dienst der Zuiderzeewerken. Al snel werd uitgegaan van een centrum met streekverzorgende functie en dorpen rondom. In eerste instantie vijf dorpen op onderlinge afstand van 8 km met verspreid een aantal gehuchten voor de landarbeiders. Later werd het aantal dorpen bijgesteld naar zes, zeven en uiteindelijk tien dorpen. Dit werd mede veroorzaakt doordat de overtuiging groeide dat boerenarbeiders beter in de dorpen konden wonen, dan verspreid over de polder.

depolder-pag12
‘Een schematische weergave van Christallers centrale plaatsentheorie

De afstand tussen de dorpen ontstond door ervaringen in de Wieringermeerdorpen, door theoretische beschouwingen en landbouwtechnische overwegingen. In de Wieringermeer was de afstand tussen de dorpen te beperkt. Om de afstand te bepalen werd ook gebruikt gemaakt van de theorie van de Duitse geograaf Christaller. Christallers centrale plaatsentheorie ging uit van de afstand tussen plaatsen door te verwijzen naar de afstand van kernen in een verzorgingsgebied. Hij ging uit van een kernenhiërarchie van steden, verzorgingskernen en gewone kernen. Daarnaast leidde hij uit de praktijk vaste afstanden tussen de kernen af, die hij in een hexagonaal systeem vatte. Het dorpenpatroon in de Noordoostpolder lijkt direct te zijn ontleend aan dit systeem. Hiermee nam het polderplan afstand van de tot dan toe gebruikelijke theorie dat nederzettingen zich ontwikkelen op kruispunten van water en wegen. Door de snelle toename van gemotoriseerd verkeer bleken de afstanden, mede gebaseerd op de fiets als belangrijk transportmiddel, al spoedig achterhaald.

Sociografisch onderzoek

Voor de polder en voor elke dorp is een survey geschreven. Dit was een sociografisch onderzoek en onderbouwing waarop de ruimtelijke planning kon worden gebaseerd, voor die tijd een vernieuwende manier van werken.

Eén van de Nederlandse pioniers op het gebied van de survey was Van Lohuizen, mede-organisator van het Internationaal Stedenbouwcongres. Van Lohuizen hechtte groot belang aan de kennis omtrent ontwikkeling van de bevolking in een regio (Nieuwe dorpen op nieuw land, Van Woensel, pp. 32).

Door demografische en maatschappelijke ontwikkelingen te becijferen en te vergelijken met andere regio’s kwam men voor de hele polder op een inschatting van een inwonertal van 25.000 tot 30.000 inwoners, waarvan 16.000 tot 22.000 in de kernen. Dankzij de surveys konden richtlijnen worden opgesteld voor de dichtheid, positionering en ontwikkeling van de landbouw, de bedrijven, winkels, aantal woningen, kerken, etc.

Familiekenmerken van de dorpen: het polder-DNA

Karakteristiek aan de tien dorpen van de Noordoostpolder is dat de dorpskernen in dezelfde periode zijn ontworpen. Uitgebreid sociografisch en planologisch onderzoek leidde ertoe dat de dorpen volgens een ideaal schema werden ontwikkeld, waarbij de onderlinge afstand en een zekere mate van zelfvoorzienendheid per dorp leidende uitgangspunten waren. Er ontstond een herkenbare familie van polderdorpen.

Alle dorpen liggen aan of op de dorpenring, de rondweg door de polder. In de oorspronkelijke plannen voor de dorpen gaat men uit van een brink, drie kerken, drie scholen, een dorpsbos en een winkel- of voorzieningencentrum. Niet elk dorp groeit even spoedig als gepland.

De samenhang tussen de dorpen is groot, al hebben alle dorpen wel een eigen karakteristiek. De ligging in de polder, de manier waarop het dorp aan de dorpenring ligt, en de verschillende architecten die aan de dorpen hebben gewerkt, dragen hieraan bij.

Elf kenmerken van de polderdorpen

1. Ligging aan de dorpenring

De ontsluiting van de polder en de dorpen is een structurerend element, de dorpen zijn onderling verbonden door een rondweg door de polder; de ‘dorpenring’. De dorpenring gaat door of langs de dorpskern. Dit resulteert in kruiswegdorpen en langswegdorpen. Rutten ligt niet direct aan de dorpenring, maar aan een noordelijke lus ervan.

2. Ligging aan het water

Elk dorp ligt aan een poldervaart. Goederen werden vervoerd over het water. Overslag van de goederen vond plaats op de loswal. Nu is de ligging aan de vaart karakteristiek. Meerdere dorpen hebben een waterfront. Voorbeelden zijn Ens en Tollebeek.

3. Bedrijven aan de rand en aan het water

In alle dorpsplannen ligt een bedrijventerrein aan de rand van het dorp in verbinding met het water (aan een loswal). De reden hiervoor was dat goederen over water werden vervoerd.

4. Vizier op het landschap

De dorpen moesten in de oorspronkelijk plannen uitzicht hebben op het open polderlandschap. Meerdere dorpen in de Noordoostpolder hebben vanaf de brink of vanuit de openbare ruimte zicht op het omringende landschap.

Dit maakt elk dorp een polderdorp, maar ook elk dorp uniek.

5. Elk dorp een groene mantel

Alle polderdorpen hebben een brede bosstrook rond het dorp. We noemen deze ‘de groene mantel’. Deze kenmerkende bosstrook, dient als windscherm (in de zuidwest hoek van veel dorpen is de mantel extra breed, vanwege de overheersende windrichting uit deze hoek) en biedt ruimte aan wandelpaden, begraafplaatsen, sportvelden en andere recreatieve functies voor het dorp. Het typeert de polderdorpen.

6. De groene polderstraat

In de oorspronkelijke ontwerpen hebben bijna alle dorpen groene straatprofielen en lanen in het dorp. We noemen deze ‘de groene polderstraten’. Kenmerkend zijn de ruime symmetrische straatprofielen met groene bermen. Het geeft de dorpen een parkachtig karakter. De groene straten en groene mantels samen maken de polderdorpen tot groene oases in de open polder.

dia 15 ligging aan het water kraggenburg dia 15 vizier op het landschap nagele dia 16-1
Ligging aan het water (Kraggenburg) Vizier op het landschap (Nagele) Groene polderstraat (Luttelgeest)

7. De brink: een groen dorpsplein met voorzieningen

Het hart van de dorpen wordt gevormd door een groen dorpsplein. Hier bevinden zich de voorzieningen, zoals winkels en kleine bedrijfjes, en de kerken. Bij de aanleg van de dorpen werd zoveel mogelijk begonnen met de aanleg van het dorpscentrum. De benodigde voorzieningen waren hierdoor vanaf het begin aanwezig. Bovendien vertoonde het dorp op deze manier vanaf het begin een duidelijke samenhang.

8. Drie kerken rond de brink

De kerken bevinden zich meestal op of op de hoekpunten van de brink. Veel dorpen hebben een groene zijbrink, die in verbinding staat met de brink, ook hier staat soms een kerk. Uitgangspunt was dat geen van de drie kerken het dorpsbeeld domineerde. Alle kerken moesten even belangrijk zijn. In de praktijk is dit niet altijd het geval. Sommige kerken zijn door hun architectuur of ligging prominenter dan andere.

9. Drie scholen in de buurt

De scholen staan verspreid in de buurten van het dorp, zodat kinderen op veilige en korte afstand van de school woonden.

10. Delfts Rood

Met uitzondering van Nagele bestaan alle dorpen voornamelijk uit Delfts rode architectuur: veelal zo goedkoop mogelijk gebouwde woonblokken met de bekende rode baksteen en oranjerode pannen. Sober uitgevoerd, soms met bijzondere details. In alle dorpen bepalen deze Delfts rode woonblokken het beeld van de dorpskern, in veel dorpen ook het dorpsaanzicht.

dia 16 school in de buurt tollebeek dia 17 Delfts rood Bant
School in de buurt (Tollebeek) Delfts Rood (Bant)

11. Elk dorp ontworpen onder supervisie van de Directie van de Wieringermeer

Er waren meerdere ontwerpers betrokken bij de polderdorpen. De eerste plannen werden door de Bouwkundige afdeling van de directie van de Wieringermeer zelf ontworpen. Eerst met de architect Verhagen, later in samenwerking met de stedenbouwkundige Pouderoyen en weer later met architect Th. G. Verlaan. Een aantal dorpen werd ontworpen door externe architecten. Het ontwerpproces vond dan plaats onder supervisie van de stedenbouwkundige adviseurs van de Dienst, Granpré Molière en Verhagen, later namen Van Embden en Komter deze taak over.

Dorpskleur

Elk dorp zijn eigen kleur

Hoewel algemeen wordt aangenomen dat de polderdorpen naast het modernistische Nagele (wit) enkel uit typische Delfts rode dorpen bestaat, zijn er bij nadere beschouwing vele tussenliggende tinten te herkennen in zowel architectuur als stedenbouw. Daarbij is Nagele een uiterste aan de ‘witte’ kant en is Ens een uiterste aan de ‘rode’ kant. Hiertussen zijn dorpen te vinden die van beide uitersten in meer of mindere mate kenmerken hebben. Een juiste ‘kleurbepaling’ per dorp is voorwaardelijk om de bestaande identiteit te behouden of te versterken.

De kleurbepaling van een dorp is van belang bij het omschrijven van beeldrichtlijnen; is een dorp diep rood, gewoon rood, lichtrood, roze of wit?

De kenmerken van beide uitersten, diep rood (Delftse School) en wit (modernisme) zijn hierna omschreven op een aantal niveau’s. De tussenliggende kleuren zijn minder statisch; immers, op het ene niveau kan een dorp een andere kleur hebben dan op een ander niveau. Bij beide uitersten zijn de kenmerken consequent doorgevoerd op alle niveaus. Per locatie moeten de kenmerken worden bepaald.

dia 27-1 dia 9-2 dia 18-2 dia-9-3-dia-18-3
Diep rode architectuur ‘Overgangstype’ Witte architectuur
RTEmagicC dia 19.jpg

Plaatsing

Diep rood

Plaatsing is meestal in de rooilijn en bepaald door de stedelijke ruimte. Bebouwing is zo ruimtevormend. Gesloten wanden in kernen, plaatsing van vrijstaande gebouwen in de rooilijn en met naar verhouding kleine tussenruimten; samen wordt zo door de gebouwen een stevige begrenzing gevormd. Hoeken zijn meest gesloten en krijgen een bijzondere aandacht en een rijke vormbehandeling en detaillering. Sterke functionele hiërarchie. Bijzondere gebouwen en functies hebben meest een formele, monumentale plaatsing.

Modernistisch

Plaatsing van volumes solitair en alzijdig in een grotere (groene) ruimte. Plaatsing volgt meest een abstract raster of stempel, tussenliggende ruimte staat in verbinding met het grotere geheel. Oriëntatie op zon kan bepalend zijn. Hoeken worden meestal opengeladen. Lucht, licht en doorzicht zijn bepalend.

Polder-dorpskleuren-plaatsi
afbeelding boven: diep rood
afbeelding onder: modernistisch

Massawerking

Diep rood

Er is een traditionele en eenvoudige massaopbouw met een rechthoekige onderbouw en de toepassing van pannenkappen, meestal uitgevoerd als zadeldak. het ambachtelijk gootdetail werkt als duidelijk element tussen gevel en kap. Er is sprake van een sterke hiërarchie. De afzonderlijke woningen zijn vaak afleesbaar door de nadruk op voordeuren, dakkapellen en toepassing van schoorstenen, die soms vanwege het beeld soms zelfs loos zijn. Er zijn specifieke vormen ter plaatse van hoeken. Bij bijzondere gebouwen is er vaak een sterke historische referentie en een formele, hiërarchische, vaak symmetrische opbouw.

Modernistisch

Er is sprake van een autonome en eenduidige massaopbouw; meestal een rechthoekig hoofdvolume met een plat dak. Er is geen bijzondere behandeling van kopgevels of hoeken. Bij grotere gebouwen en gebouwen met een bijzondere functie is er vaak een samenstelling van afzonderlijke functioneel bepaalde volumes met een eigen gezicht. De samenstelling is vaak informeel, niet symmetrisch en zonder directe historische verwijzing of relatie.

dia 21-1 dia 21-2
Dieprood Modernistisch

Gevels

Diep rood

Er is sprake van een traditionele gevelindeling, passend bij gemetselde wanden; smalle hogere kozijnen verdiept in het metselwerk.Er zijn vaak bijzondere details ter plaatse van de voordeur. De gevelopeningen vertellen niet altijd over de achterliggende functies of over de constructieve opzet. Bijzondere functies hebben vaak meer plastiek in de gevel, metselwerk wordt als ornament toegepast. (soms worden hardstenen sluitstenen gebruikt of metselwerk in een bijzonder motief). Soms is er een klassieke, zelfs classicistische opbouw. De functies (dragen, klimaatscheiding, overgang openbaar en privé, etc.) van de gevel worden vaak in één materiaal en in één lijn bij elkaar gevonden.

Modernistisch

Er zijn hier open en lichte gevels. Er worden gevelvullende industriële elementen toegepast. De gevels zijn eerlijke en afleesbare; de indeling vertelt over het gebruik en constructie. Er is een duidelijk onderscheid tussen dragende en niet-dragende gevels. Bij bijzondere functies zijn er zeer specifieke en vaak bijzondere oplossingen; bijvoorbeeld de toepassing van draagconstructies in het zicht, natuurstenen bekleding en bijzondere metselverbanden. De functies van de gevel worden niet altijd in dezelfde zone en in een enkel materiaal gevonden (bijvoorbeeld de toepassing van een terugliggende entreepui in een dragend skelet en voorzien van een uitstekende luifel).

dia 22-1 gevels dia 22-2 gevels
Diep rood Modernistisch

Materialisering

Diep rood

De toegepaste materialen zijn traditioneel en Hollands; gemetselde gevels, de daken bedekt met gebakken OVH-pannen (Opnieuw Verbeterde Hollandse pannen), houten kozijnen en getimmerde houten goten. Rond de voordeuren van de woningen vaak afwijkend metselwerk of stucwerk. Bij bijzondere gebouwen is er incidenteel sprake van toepassing van koper, leien en natuursteen.

Modernistisch

Er worden industriële materialen toegepast. De gevels zijn vaak uitegvoerd in metselwerk, beton of voorzien van houten delen of plaatmateriaal. De kozijnen zijn meest in hout uitgevoerd, soms in staal of aluminium. De dakenzijn voorzien van dakleer, bij bijzondere gebouwen ook van koper of zink. Meestal zijn er geen zichtbare goten, de overgang van gevel naar dak bestaat vaak uit niet meer dan een aluminium daktrim (afdekking dakrand).

dia 23-1 materialisering dia 23-2 materialisering
Diep rood Modernistisch

Detaillering

Diep rood

Het beeld bepaalt de detaillering. Er worden ambachtelijke details toegepast, zoals getimmerde goten (soms steunend op houten klossen). Er zijn bijzondere details in het metselwerk of afwijkend materiaal ter plaatse van voordeuren en schoorstenen. Bij bijzondere gebouwen is er een rijke en meer robuuste detaillering.

Modernistisch

De techniek en het fabricageproces bepalen het detail. Er is sprake van een pragmatische detaillering en industriele producten. Ornamenten zijn afwezig. De overgang van privé naar openbaar krijgt soms nadruk door functionele muurtjes (zitje of als plek om boodschappen neer te zetten) en terugliggende voordeuren. Bij grotere en bijzondere gebouwen is de abstracte sculptuur van een gebouw bepalend voor het detail.

depolder-pag20 depolder-pag20a
Diep rood Modernistisch

Kleurgebruik

Diep rood

De gevels zijn uitgevoerd in een rode steen en de daken zijn meestal voorzien van natuurrode gebakken pannen (incidenteel donkergrijs). Het houtwerk is meestal wit, de draaiende delen zijn vaak uitgevoerd in traditioneel groen of blauw. Bij bijzondere gebouwen soms een iets afwijkende steenkleur; bruin of geel.

Modernistisch

Er worden lichte kleuren toegepast, veel wit en grijs. De draaiende delen (deuren en ramen) zijn vaak in primaire kleuren uitgevoerd. Diverse materialen worden naturel toegepast en ruwe materialen als zichtwerk.

depolder-pag20b depolder-pag20c
Diep rood Modernistisch

bron:

Het Oversticht, kennis- en adviesorganisatie voor ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijk erfgoed in Zwolle, nam samen met de gemeente Noordoostpolder en de woningcorporatie Mercatus het initiatief om onderzoek te doen naar de dorpskernen in de Noordoostpolder om inspiratie en kaders te geven voor herstructurering van de dorpen. Het Oversticht formeerde een werkgroep, waarin Sterke Stedenbouw uit Dedgum en TWA architecten uit Burdaard deelnamen. Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door het Stimuleringsfonds voor Architectuur.

logo mercatus 19-03-13     Logo Gemeente Noordoostpolder