Rupstrekkers

In de jaren 30 gebruikte men in de Wieringermeer de Amerikaanse Caterpillar rupstrekkers van 15 pk. (Cat Fifteen) en 20 pk (Cat Twenty).
Deze startte men op benzine en als ze warm waren schakelde men over op petroleum.
In 1938 begon men bij Caterpillar met de productie van rupstrekkers voor de landbouw ontginning van de Noordoostelijke polder.
De Directie Wieringermeer had al voor de oorlog D2’s besteld. Doordat dit schip is getorpedeerd zijn deze nooit aangekomen. Zodoende was het materieel grotendeels afkomstig uit de Wieringermeer. De zware Cat Sixty had een 19.49 ltr. viercilinder benzinemotor met extra brede rupsen die werd ingezet op zeer drassige ondergrond voor drainage en greppels trekken.
De greppels werden gegraven met een greppelploeg die aan staalkabels over de 300 meter van de ene naar de andere kant werden getrokken. Omdat de Duitse bezetter de voedselvoorziening in de NOP van groot belang achtte, werden vanuit Duitsland zware rupstrekkers ingezet. Vanuit Breslau het huidige Wroclaw in Polen kwamen in mei 1943 via station Meppel een veertigtal groene FAMO rupstrekkers naar de polder.
Fabrikant was FAhrzeug-und MOtoren-Werke GmbH Door de toen heersende benzineschaarste werden 25 trekkers voorzien van gasgeneratoren. Deze werden gestookt op hout of turf. De houtgestookte rupstrekkers met Famo gasgenerator werd op benzine gestart alhoewel het blok een dieselmotor was. Als er voldoende gasvorming plaatsvond, te controleren met een lucifer, als deze bleef branden schakelde men over op houtstook.
Iedere dag moest de generator worden afgetapt van condenswater. De installatie moest daarna grondig worden gereinigd. De FAMO’s stonden niet bekend om hun betrouwbaarheid. De gasgeneratoren leken qua constructie allen sterk op elkaar. Door zoveel mogelijk te standaardiseren waren onderdelen vaak onderling uit te wisselen. De Famo’s hadden een stuurwiel in plaats van stuurhandels omdat ze direct werden afgeremd door een differentieel met conische tandwielen.
Wegbermen
Kenmerkend voor de polder zijn de vaak brede wegbermen. Deze noemde men vroeger dan ook trekkerpad in plaats van berm, omdat de rupstrekkers via de bermen moesten rijden om zodoende het wegdek niet te beschadigen. Op kruisingen lagen altijd een set balken die gebruikt moesten worden om over te steken. De directie had maar één Caterpillar met een dozerblad. Na de oorlog in 1946 kwam de bestelde serie D2 ’s alsnog naar de Centrale werkplaats in Vollenhove.
De Caterpillar diesels werden gestart met een twee cilinder benzinemotor die met de hand werd aangetrokken. Hiermee werd de hoofdmotor eerst voorverwarmd door de uitlaatgassen en het koelwater van de startmotor. Met behulp van deze startmotor kon de trekker ook over een korte afstand worden verplaatst. Zodat men daarvoor de hoofdmotor niet hoefden in te schakelen. Bij de cultuurboerderijen of de centrale werkplaatsen stonden de rupstrekkers veelal onder een dekzeil buiten opgesteld.
Na de oorlog koos de Directie voor producten van Caterpillar en Allis Chalmers, deze waren betrouwbaarder dan de Famo Boxer. Er zijn ook nog proeven gedaan met een viercilinder Fordson rupstrekker en later nog met een aantal Fiat K55 rupstrekkers, maar dat was geen succes. Met het succes van de Cat. 30 en Cat. 60 maakte de naam “Caterpillar” als een algemene naam voor rups gedreven tractoren. De rupstrekker in zijn algemeenheid heeft een belangrijk aandeel gehad in de ontginning van dit unieke landbouwgebied.

 

 

Dit artikel is een weergave uit het boek “Wegtransport in de N.O.P.” Dit boek gaat over vrachtwagens in de polder van 1942 tot heden.
De makers zijn Kees & Co Bolle en is te koop bij Boekhandel Marsman.
bron: De Noordoostpolder