Tijdlijn Noordoostpolder

1132 – Kapellen door de oprukkende Zuiderzee verzwolgen?

In een oorkonde die op 29 mei 1132 werd uitgevaardigd door het Friese klooster Sint Odulf wordt een reeks van kapellen opgesomd.
Deze kapellen waren gelegen in een gebied dat in de loop van de dertiende en veertiende eeuw door de oprukkende Zuiderzee zou worden verzwolgen.
In de oorkonde van Sint Odulf komen de namen ‘Ruthne’, ‘Marenesse’, ‘Nagele’ en ‘Emelwerd’ voor.
Andere middeleeuwse documenten maken melding van plaatsnamen als ‘Nagele’, ‘Espelbergh’, ‘Luttighegeest’ en ‘Tollebeke’.


1331 – Geduchte roofridders

Op 17 juli 1331 beleende graaf Willem III van Holland heer Johan I van Kuinre met de heerlijkheid Urk en Emmeloord (het noordelijke deel van Schokland).
Johan I en zijn familieleden waren geduchte roofridders.
Menigmaal namen ze handelsschepen met lading en al in beslag en verlangden ze daarvoor losgeld.
In de omgeving van Kuinre zijn resten gevonden van twee burchten die door de roofridders werden bewoond.
De eerste burcht stamt uit de dertiende eeuw.
Toen deze in de veertiende eeuw moest worden verlaten vanwege het oprukken van de Zuiderzee, werd landinwaarts een tweede burcht gebouwd.
Deze burcht werd in de zestiende eeuw afgebroken. Hoe de burchten van Kuinre eruit hebben gezien is niet bekend.

Heerlijkheid Urk en Emmeloord werd in 1660 door Amsterdam gekocht.
Ens, het zuidelijke deel van Schokland, hoorde destijds bij het gewest Overijssel.
Pas in 1806 werden Emmeloord en Ens samengevoegd tot één gemeente.

(Nieuwe geographische Nederlandsche reise- en zakatlas, Jan Christiaan Sepp, 1773).

 

 
Afschrift de oorkonde van graaf Willem III van Holland
waarin hij Johan I van Kuinre beleende met de heerlijkheid Urk en Emmeloord, 17 juli 1331.

 


 

1859 – Schokland

Een groot deel van de bevolking van Schokland leefde in armoede en was afhankelijk van liefdadigheid.
In 1858 richtte H.F.J. Terschouw, de pastoor van Schokland, een verzoek aan de regering om het eiland te ontruimen.
Dit verzoek werd ingewilligd.
Op 1 maart 1859 liet Gerrit Jan Gillot, de burgemeester van Schokland, aan de bewoners weten dat zij binnen vier maanden zouden moeten vertrekken.
Op 4 juli werd de gemeente Schokland opgeheven en werd het eiland toegevoegd aan de gemeente Kampen.
In december 1995 werd Schokland op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO geplaatst.


1886 – Oprichting Zuiderzeevereniging

die ir. Lely opdroeg de plannen tot inpoldering nader te onderzoeken.


1891 – Cornelis Lely plan

In 1891 presenteerde ir. Cornelis Lely (1854-1929) zijn plan tot afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee.
Het plan voorzag in de bouw van een dijk tussen Noord-Holland en Friesland en de aanleg van vier polders in de Zuiderzee met een gezamenlijke oppervlakte van 229.000 hectare.
Het Plan-Lely vormde de basis voor het wetsontwerp voor de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee dat Lely 25 jaar later als minister van Waterstaat bij het parlement zou indienen.

 

Het Plan-Lely.
(Kaartencollectie Nieuw Land)


 

1916 – Stormvloed van 1916

Januari 1916 breekt er onverwacht een stormvloed uit rond de Zuiderzee. Dijken breken, rivieren treden buiten hun oevers. Kades en polders in Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Noord-Holland en Utrecht lopen onder. Alleen de Veluwe blijft het leed bespaard vanwege zijn hoge ligging. Op het eiland Marken vallen zestien slachtoffers. Niet alleen wordt naar aanleiding van de ramp de Stormvloedseindienst ingesteld, ook wordt in 1918 de Zuiderzeewet ingevoerd. Geschiedkundigen betwijfelen of de wet er wel door was gekomen zonder de stormvloed.
1918 – Zuiderzeewet


Op 14 juni 1918 werd de Wet tot afsluiting

en droogmaking van de Zuiderzee (Zuiderzeewet) van kracht.
Het wetsontwerp werd op 9 september 1916 door ir. Cornelis Lely,
minister van Waterstaat, bij de Tweede Kamer ingediend.
Het wetsontwerp werd op 21 maart 1918
zonder hoofdelijke stemming in de Tweede Kamer aangenomen.


1932 –   Afsluitdijk

Op 28 mei 1932 om 13.02 werd het laatste sluitgat van de Afsluitdijk (de Vlieter) gesloten.


 

05-09-1932 – Staten-Generaal krijgt nota aangeboden

met een uitgewerkt plan voor bedijking-drooglegging en in cultuurbrenging van de Noordoostpolder.


1936 – Start drooglegging


1939 – Urk was niet langer een eiland

Op 29 april 1936 werd een begin gemaakt met de aanleg van de omringdijk voor de Noordoostpolder, na de Wieringermeer de tweede polder van het Zuiderzeeproject.
Op 3 oktober 1939 was de dijk tussen Urk en Lemmer klaar: Urk was niet langer een eiland.
Het laatste gat in de dijk werd op 13 december 1940 gesloten.
Daarna kon met het leegpompen van de Noordoostpolder worden begonnen.

Het definitieve ontwerp voor de Noordoostpolder uit 1935 (Kaartencollectie Nieuw Land)


1940 – 13-12-1940  Sluiting van de Noordoostpolderdijk


1942 – Noordoostpolder droog verklaard

Op 9 september 1942 bereikte het water het laagste punt in het maaiveld en werd de Noordoostpolder droog verklaard. Nederland was een polder van 48.000 hectare rijker geworden.
Voor het lokale bestuur was het openbaar lichaam ‘De Noordoostelijke Polder’ ingesteld met aan het hoofd een landdrost.
Eerste landdrost werd ir. S. Smeding, die als directeur van de Directie van de Wieringermeer (Noordoostpolderwerken) ook was belast met de leiding over de ontginning en inrichting van de polder.


 

07-08-1942 – Instelling Openbaar Lichaam “De Noordoostelijke Polder”.


09-09-1942 – De Noordoostpolder officieel droog (48.000 ha).
De grondsoorten zijn: 1% klei, 49% zware zavel, 29% lichte zavel, 16% zand en 5% veen en keileem.


01-12-1942 – De eerste boerderij betrokken op kavel R76.


1943 – De eerste permanente bewoners

In december 1943 arriveerden de eerste permanente bewoners van Emmeloord, de centrale verzorgingskern van de Noordoostpolder.
In de daaropvolgende jaren werd om Emmeloord een krans van tien dorpen gebouwd:
Bant, Creil, Ens, Espel, Kraggenburg, Luttelgeest, Marknesse, Nagele, Rutten en Tollebeek.


1944 – Duizenden arbeiders

 

De Duitse bezetter had de Noordoostpolder nodig voor de voedselvoorziening.
Vandaar dat werd besloten de polder zo snel mogelijk te ontginnen.
Hierbij werden duizenden arbeiders ingeschakeld. Om Arbeitseinsatz in Duitsland te ontlopen doken duizenden jongemannen in de Noordoostpolder onder. De letters NOP stonden niet alleen voor Noord-Oostelijke Polder (de officiële naam), maar ook voor ‘Nederlands Onderduikers Paradijs’. De Duitsers lieten de Noordoostpolder lange tijd met rust, maar op 17 november 1944 werden alle arbeiders opgepakt en naar Duitsland vervoerd. De meesten zouden pas na de bevrijding in 1945 naar Nederland terugkeren.


7 en 9 augustus 1944  eerste razzia  in de Noordoostpolder.


1947 – De eerste 103 landbouwbedrijven

In november 1947 werden in de Noordoostpolder de eerste 103 landbouwbedrijven uitgegeven.
De Directie van de Wieringermeer selecteerde de kolonisten en bepaalde waar ze zich mochten vestigen.
Het selectiebeleid van de Directie werd echter al snel beïnvloed door wensen en belangen van het ‘oude land’.
Zo werden veel bedrijven door de Staat toegewezen aan boeren die hun boerderij op het oude land moesten verlaten, bijvoorbeeld vanwege ruilverkavelingen.


1948 – Met de bouw begonnen van de dorpen Ens, Kraggenburg en Marknesse

1948 Met de bouw begonnen van de dorpen Ens, Kraggenburg en Marknesse.

1950 Met de bouw begonnen van Bant en Luttelgeest.

1952 Met de bouw begonnen van Rutten.

1953 Met de bouw begonnen van Creil.

1954 Met de bouw begonnen van Nagele.

1956 Met de bouw begonnen van Espel en Tollebeek.
1957 Dorpen in de Noordoostpolder

In 1957 werd begonnen met de bouw van Nagele.

De meeste dorpen in de Noordoostpolder zijn ontworpen door vertegenwoordigers van de Delftse School, een traditionalistische stroming in de architectuur.
Nagele daarentegen is bedacht door de modernisten van Het Nieuwe Bouwen, een stroming die sterk verwant is aan de abstracte kunst van De Stijl.
Meer dan dertig architecten, landschapsarchitecten en stedenbouwers waren bij het ontwerp van Nagele betrokken, onder wie Gerrit Rietveld, Aldo van Eyck en Cornelis van Eesteren.
Tot op de dag van vandaag wordt Nagele gezien als een belangrijk onderdeel van het modernistische erfgoed.


1959 – De Poldertoren

Op 20 juni 1959 werd de Poldertoren officieel in gebruik genomen.
De Poldertoren zou dienst doen als watertoren.
Daarnaast had het bouwsel een belangrijke symbolische functie: het moest voor alle polderbewoners een punt van blijvende herkenning zijn, een baken in het vlakke land.
De Directie van de Wieringermeer achtte deze symboliek nodig omdat de bewoners van de polder uit alle delen van Nederland kwamen en hun eigen tradities en godsdienstige opvattingen hadden meegebracht.
De Directie wilde dat uit deze smeltkroes een homogene en harmonische boerensamenleving zou ontstaan, en de Poldertoren symboliseerde de gewenste eenheid.


1962 – De eerste burgemeester

Op 1 juli 1962 werd de Noordoostpolder een zelfstandige gemeente.
De eerste burgemeester werd F.M. van Panthaleon baron van Eck (1908-1993).
De Noordoostpolder werd voorlopig ingedeeld bij de provincie Overijssel.

 

 

F.M. van Panthaleon baron van Eck


 

 

 
1986 – Gemeente Noordoostpolder
Op 1 januari 1986 werd gemeente Noordoostpolder onderdeel van de provincie Flevoland.