De naam: Noordoostpolder

In 1944 werd de officiële naam: Urkerland.
Alternatieven als Schokkerwaard, Urkerwaard en Nieuw Schokland haalden het niet.
De Noordoostelijke Polder was een werknaam die voorkomt in het Plan Lely uit 1891.
Na de Tweede Wereldoorlog werd die naam samengetrokken tot Noordoostpolder met als afkorting NOP.
Deze afkorting stond toen ook voor Nederlands Onderduikers Paradijs.

Eind jaren negentig kwam in het tijdschrift De Vriendenkring de naam van de gemeente weer eens ter sprake.
Velen vinden NOORDOOSTPOLDER geen mooie naam.
De vernoemde windstreken wekken weinig associaties met een zacht en zonnig klimaat
en het woord ‘polder’ is in het dagelijkse spraakgebruik synoniem aan de onherbergzaamheid,

zoals die bijvoorbeeld door de dichter Marsman is beschreven:
Ik loop door ’t polderland
onder den hellen regen
oneindig is het land
oneindig zijn de wegen
die naar de kimmen gaan;
in lage hemelstreken
‘heerst tussen zwarte kreken
het mistig licht der maan.

Maar wat dan?
In de meeste discussies is vooral de naam Emmeloord vaak gevallen, maar die is van alle alternatieven wel de minst gelukkige. De polder is tenslotte groter dan Emmeloord.
De dorpsverenigingen, die door de gemeenteraad in 1986 werden gepolst over een naamsverandering in Gemeente Emmeloord, zijn dan ook unaniem tegen.
Een enkel bestuur dat met een gemengd advies komt, wordt zelfs in tweede instantie teruggefloten door de algemene ledenvergadering. Wel hanteert de gemeente, die zich kennelijk toch niet helemaal bij de situatie kan neerleggen, bij niet-officiële gelegenheden steeds vaker de naam Emmeloord en de groendorpen.
Gelet op de provincienaam, overigens in 1986 bij de totstandkoming van de provincie ook al niet allerwegen enthousiast ontvangen, zou een combinatie  met Flevoland te overwegen zijn. In de provincie Flevoland vindt men tenslotte ook Oostelijk- en Zuidelijk-Flevoland; Noord(elijk)-Flevoland ligt dus voor de hand en is ook inderdaad wel eens geopperd. Bij deze suggestie dient men evenwel te bedenken dat de namen Oostelijk- en Zuidelijk-Flevoland uit de nood zijn geboren. De regel was, dat een polder, na eerst met een technische naam te zijn aangeduid (Noordwestelijke Polder, Noordoostelijke Polder etc.), bij de inrichting de naam zou krijgen van het eiland dat door de inpoldering in het grotere geheel op zou gaan: Wieringermeer, Markerwaard (in de Wieringermeer overigens indirect: voor de inpoldering droeg het water ten zuiden van Wieringen al die naam). De namen van de eilanden, al eeuwen vaste punten in de Zuiderzee, zouden zo ook na de inpolderingen blijven bestaan.

In de Flevopolders vindt men deze eilanden niet. Hier werd gekozen voor de Romeinse naam voor de zuidelijke kom van het Zuiderzeegebied, FlevoMoor de noordoostelijke polder had men, indachtig het uitgangspunt bij naamgevingen, de namen Schokkerwaard, Nieuw-Schokland, Urkerpolder, Urkerwaard en Urkerland. De secretaris-generaal van het Departement van Waterstaat verving in 1944 de waterstaatkundige aanduiding door de laatstgenoemde naam.
Urkerland, hoewel van naamkundige zijde aanbevolen (door de redactie van Nomina Geographica Neerlandica, bestaande uit o.m. G. G. Kloeke en H. J. Moerman – de enige keer dat men een beroep deed op vakgeleerden), sloeg niet aan. Te zeer was men in de bezettingstijd gehecht geraakt aan de oude naam; de herinnering aan het onderduikersparadijs die hierdoor levend gehouden werd (de afkorting N.O.P. werd ook wel schertsend geïnterpreteerd als Nederlands Onderduikers Paradijs), zou bij de nieuwe naam veel sneller verdwijnen. Bovendien had de gemeente Urk zich zo afzijdig gehouden van de hele inpoldering, dat er geen aanleiding was om de polder daar naar te noemen.

De afzijdigheid was overigens wel verklaarbaar. In Van landijs tot polderland schrijft G. D. van der Heide: ‘Met zeer gemengde gevoelens, maar overigens met weinig ingenomenheid, heeft de bevolking van het eiland destijds de vordering van de werkzaamheden gadegeslagen. Hun deel van de visvijver, mede hun visgronden, werd ingepolderd, ging verloren en zou worden omgevormd tot landbouwgrond.
Dit zou betekenen dat een deel van de bevolking zou moeten ophouden met vissen. Niemand kon de gevolgen van de veranderende situatie overzien. (…) De nieuwe polderbevolking, zo zeer agrarisch ingesteld, zo weinig op de hoogte met de situatie van een gesloten eilandgemeenschap, heeft aanvankelijk weinig sympathie gehad voor de Urker problemen, weinig begrip zelfs. Slechts in het overleg in de hogere organen werden bepaalde problemen en controversen opgelost: de beide bevolkingsgroepen leefden hun tegenstrijdige belangen zonder eigenlijke strijd in een zekere wrevel uit.’

Heeft die ‘zekere wrevel’ er misschien toe bijgedragen, dat Urkerland zo’n kort leven beschoren was? Hoe het ook zij, in 1948 wordt de oude aanduiding, zij
het in verkorte vorm Noordoostpolder, definitief als gemeentenaam vastgesteld.

Aan vier jaar Urkerland was een einde gekomen.

De naam Emmeloord

Emmeloord ontleend zijn naam aan het oude buurtje op de noordpunt van Schokland.

Schokland was een eiland in de Zuiderzee.
Het brokkelde steeds verder af.
In 1859 hebben de laatste bewoners het eiland moeten verlaten.
Door de komst van de nieuwe polder, kwam dit voormalig eiland, als een bult in het vlakke land, weer boven water.

Hoe kwam Schokland dan aan de naam Emmeloord.

Lang geleden (1478) heette het oude buurtje op Schokland Emelwerth

Eém, het eerste deel van Emel-,
komt van het Germaanse ami, een algemene aanduiding voor een natuurlijk waterverloop.
In Nederland stromen diverse rivieren met de naam Eem (of Eems)

werth betekend terp. de Groningers gebruiken daarvoor nog steeds het woord Wierd. (woonheuvel)

Vanaf 1650 zien we echter dat de naam omgezet is naar Emeloirt.

Oirt (door de i achter de o spreek je het uit als oort)
Oort betekend punt, net als in Dinteloort en IJoort (later IJdoorn).

De overgang van werth naar oort heeft waarschijnlijk te maken met de afbrokkeling van het eiland Schokland.
Daardoor was Emelwerth steeds minder en terp (heuvel in het land)
maar kwam steeds meer op de punt (oirt) van het eiland kwam te liggen.

TOLLEBEEK is genoemd naar Tollebeek, een bezit van de heren van Kuinre, waarvan de ligging onbekend is. De naam wordt voor het eerst genoemd in 1364.
Voor de interpretatie levert het tweede deel geen probleem op, met tolle ligt het iets moeilijker. Er valt te denken aan een plaats waar een tol geheven werd; de Zeeuwse plaats Tholen komt zo aan zijn naam. Tol kan evenwel ook ‘tak’ betekenen. Voor de naam van de Belgische plaats Tollembeek, bij Brussel, is dan ook een betekenis ‘takke- of hakhoutbeek’ gesuggereerd.
Naar Tollebeek genoemd zijn de TOLLEBEKERWEG, de TOLLEBEKERTOCHT, het TOLLEBEKERBOS en de TOLLEBEKERBRUG over de
Urkervaart.

De straatnamen in Tollebeek zijn ontleend aan de jacht. Centraal ligt de VOSSENBURCHT; net als de natuurlijke vossenburcht, de verblijfplaats van eenvos, heeft deze straat meerdere uitgangen. Een ervan is naar het WISSEL. Het wissel is het vaste pad waarlangs het wild zich naar drink- of weiplaats begeeft.
Die drink- of weiplaats is in dit geval cafe-restaurant De Goede Aanloop. Voor de jager is de goede aanloop een plaats waar hij veel wild kan verwachten. Voor de reiziger halfweg Emmeloord en Urk is het een goede plaats om even aan te lopen. De naam is tot stand gekomen na een suggestie van de polderdirectie aan Brouwerij d’Oranjeboom, destijds eigenaar van het etablissement. Het cafe-restaurant staat aan de SINT-HUBERTUSPLAATS, genoemd naar de beschermheilige van de jacht. Nimrod, de achterkleinzoon van Noach, stichter
van Babylon en eerste koning der Chaldeeen, wordt in Genesis 10:9 een geweldig jager genoemd. Buiten de oudtestamentische context is Nimrod een figuurlijke aanduiding voor een jager in het algemeen geworden. Bij de naam NIMRODSTRAAT kan men dus zowel aan de Nimrod als aan een Nimrod denken.
In 1988 kreeg het gedeelte van de Nimrodstraat tussen Vosssenburcht en Zuidwesterringweg een nieuwe naam: HERTSHOREN. Ook deze naam hangt samen met de jacht. Bovendendien kunnen de zijstraten van deze weg gezien worden als vertakkingen van het hertengewei.
De DIANALAAN is genoemd naar Diana, Romeinse godin van de jacht.

Het te jagen wild gaf zijn naam aan de FAZANTENDRIFT en de PATRIJZENSTRAAT. Drift is zowel een weg als het terrein dat bij een drijfjacht wordt’afgedreven’ (uitgekamd).

Ook voor de nieuwere straten zijn, op advies van de vereniging Dorpsbelang Tollebeek, namen gekozen die verband houden met de jacht: DE JACHTHOORN, DE ROEDEL, LANGE JACHT, DE BRAKKEN, HAZEPAD, JACHTLAAN en DE LAVEI. De lavei is de plaats waar het wild samenkomt.
In Belgie wordt het woord ook gebruikt in de betekenis van ‘stroperij’. Lange jacht is het jagen met windhonden. Brakken zijn jachthonden bij uitstek.
In 1992 krijgt de noordelijke uitbreiding van de Fazantendrift de naam WILDZANG. De Lange Jacht wordt verlengd en komt op de Wildzang uit. Bovendien komt er een zijstraat, SPRANG. De sprang wordt gebruikt bij het schieten op houten vogels, ‘gaaien’, die geplaatst worden op een gaaipers; het ijzeren, getakte bovenstuk van de gaaipers heet sprang. Ook De Brakken krijgt een zijstraat, DE WEITAS. De laatste naam, ontleend aan de tas waarin de jager het geschoten kleine wild bewaart, was in 1979 al gegeven aan een straat die nooit is aangelegd, en kon nu dus opnieuw gebruikt worden.

De zuidwestelijke uitbreiding van Tollebeek, aan de andere kant van de Fazantendrift, heeft in 1997 straatnamen gekregen die aan jagende dieren, namelijk roofvogels, ontleend zijn: VISAREND, SMELLEKEN, WESPEN DIEF, BOSUIL, SPERWER, HAVIK en TORENVALK. Te midden van die wijk bevindt zich DE HORST, genoemd naar het nest van de roofvogels.

Zelfs de straatnamen op het industrieterrein van Tollebeek hebben nog iets met de jacht te maken: ARTEMIS, IN ‘T VIZIER, HET REVIER. Artemis is de Griekse naam van Diana, godin van de jacht. Met de naam In ’t vizier gaf de Vereniging Dorpsbelang te kennen de werkgelegenheid van Tollebeek in het
oog te willen houden. Een revier is een terrein waar gejaagd wordt.

Tollebeek ligt aan het kruispunt van de ZUIDWESTERRINGWEG, het zuid westelijke gedeelte van de ringweg door de polder, met de URKERWEG. Net als het URKERBOS, de Urkervaart, de URKERSLUIS en het URKERDWARSPAD is de Urkerweg genoemd naar het voormalige eiland.

Voor het STEENBANKPAD, de STEENBANKTOCHT, de VORMTWEG, de STAARTWEG en het TOPPAD (thans gemeente Urk) zijn Urker namen gebruikt. De Steenbank was vroeger een ondiepte ten noorden van Urk. De smalle uitloper ten noordoosten van Urk wordt de Staart genoemd en de Vormt is de naam van de droogte rond Urk. Top tenslotte is de naam voor het lage gedeelte van Urk. Het mag wat vreemd aandoen om juist dit gedeelte met top aan te duiden, maar we moeten bedenken dat hier niet sprake is van top in de bekende betekenis maar van ’t hop. Een hop is een droge of bijna droge inham
of aanslibbing. In het noordoosten van de polder vinden we de Hopweg, genoemd naar het Lemster Hop. Het Urks laat de h aan het begin van een woord dikwijls weg (en wil die van de weeromstuit soms, maar niet altijd, wel plaatsen waar die juist niet hoort) en zo werd ‘I Hop dan ook Top.

Het dorp Rutten ontleent zijn naam aan het dorp Ruthne (u uitgesproken als ‘oe’) dat nog in de veertiende eeuw ten noorden van Urk op het eiland Nakala gelegen zou hebben.

De laatste letters van Ruthne zijn in de nieuwe naam van plaats verwisseld om de uitspraak bij het hedendaagse taalgebruik aan te passen.
Ruthne komt van germaans ruhitha, dat ‘ruigte, struikgewas’ betekent.
Daarvan komt ook de streeknaam De Ruiten, die zowel bij Slochteren als ten noordoosten van Zwolle voorkomt.
In Groningen stroomt ook een riviertje Ruiten-A en in de gemeente Nieuwleusen ligt Ruitenveen.
Het valt niet uit te sluiten dat de ruigte van ruhitha specifiek onkruid is dat op natte gronden groeit.
In de Van Dale vinden we bij het woord ruit (met als gewestelijke variant rut) nog deze betekenis.
Weliswaar kan het woord in die betekenis nauwelijks gangbaar Nederlands worden genoemd, maar in allerlei Oost-Nederlandse dialecten is het woord wet heel gebruikelijk.
In Twente stroomt een riviertje met de daarvan afgeleide naam Roetbeek, ook wel Rutbeek genoemd.


Staten en wegen

Naar Rutten genoemd zijn de RUTTENSE WEG, het RUTTENSE PAD, de RUTTENSE VAART en de RUTTENSE TOCHT
De naam RUTTENSE BRUG is, net als Banterbrug, bij de aanleg van Rijksweg 50 misschien niet officieel maar wel feitelijk verdwenen.
Toen de Ruttense Brug er nog niet was, en het laatste veer om negen uur voer, werd het land beoosten de Lemstervaart door de (bijbelvaste) bewoners aangeduid met het Overjordaanse.
Het stuivende zand en de woestijnachtige aanblik waren in diezelfde beginjaren aanleiding om het gebied rond de Lemstervaart de bijnaam Texas te geven.

Midden in Rutten ligt het dorpsplein dat PLAATS heet.
Met name in het zuiden en oosten van ons land is plaats het gangbare woord voor plein.
Voor die benaming hoeven we trouwens niet eens ver van huis: het Kerkplein in Vollenhove heet in het lokale dialect de Plase.
Op de Plaats komen een viertal wegen tezamen, de LEMSTERPOORT, de PLANTSOENWEG, de VENELAAN en de MEERWEG. Venelaan en Meerweg worden hieronder besproken, de Plantsoenweg heet naar het plantsoen tussen deze straat en de Ruttense Vaart.
Wie de Plaats door de Lemsterpoort verlaat, komt, via de Gemaalweg, uiteindelijk in Lemmer uit.
Buiten de Plaats om worden deze straten verbonden door het BUITENOM en de SPORTWEG, die langs het sportterrein loopt.
Binnen deze krans vinden we het BINNENDOOR.
Buiten deze krans vinden we DE RUITEN, en daar buiten weer DE GARDENIERS.
De naam van De Ruiten is ontleend aan de streeknaam De Ruiten, die dezelfde etymologische herkomst heeft als Rutten (zie hierboven).
De motivatie voor deze naam ontleende de Vereniging Dorpsbelang Rutten aan de eerste druk van Namen in de Noordoostpolder.
Gardeniers waren pootaardappeltelers uit het noorden van Friesland, die buiten de gewone toewijzing om naar de polder kwamen en daar fruit-, vlas-, en aardappelbedrijven opzetten.
Qua achtergrond stond de gardenier tussen boer en tuinder in, maar bij de naamgeving heeft Dorpsbelang toch vooral aan de tuinders gedacht, want het feit dat de huizen aan De Gardeniers (grote) tuinen kregen, heeft bij de naamkeuze een rol gespeeld.
Destijds geen argument, maar wel een aardige bijkomstigheid is, dat de noordelijkste straat in de Noordoostpolder nu heet naar de kolonisten met de meest noordelijke herkomst.
In 1986 kreeg de weg op het industrieterrein de voor zichzelf sprekende naam AMBACHTSTRAAT.
Ten oosten van Rutten vormt de NOORDERMEERDIJK de noordwestelijke waterkering langs het IJsselmeer.
De nabijheid van het IJsselmeer is ook de verklaring voor de namen NOORDERMEERWEG, NOORDERMEERTOCHT en, in het dorp, Meerweg.
De noordelijke knik in de Noordermeerdijk heet FRIESE HOEK, evenals de FRIESE SLUIS bij Lemmer genoemd naar het tegenoverliggende Friesland.
De LEMSTERGEUL langs de dijk heet naar het tegenovergelegen Lemmer. Ook de LEMSTERWEG en het LEMSTERPAD zijn naar Lemmer genoemd.
De HOPWEG is genoemd naar het Lemster Hop; een hop is een droge of bijna droge en steeds kleiner wordende inham of aanslibbing. Aan de overzijde van het IJsselmeer is het woord bewaard gebleven in het Hoornse Hop.
GEMAALWEG en GEMAALTOCHT zijn genoemd naar het gemaal Buma bij Lemmer.
Ten zuiden van Rutten gaat de Gemaalweg over in de WRAKKEN- WEG.
In deze omgeving zijn een aantal scheepswrakken gevonden, waarnaar ook WRAKKENPAD en WRAKTOCHT genoemd zijn.
Een van die schepen was geladen met ijzer, vandaar de namen IJZERPAD en IJZERTOCHT.Aan de andere zijde van de Wrakkenweg lopen VENEWEG, VENEPAD en VENETOCHT. Ze zijn, evenals de Venelaan in het dorp, genoemd naar Venehusen, dat vroeger ten westen van Kuinre lag. Het gegeven dat de bodem rond Rutten grotendeels uit veen bestaat heeft hier bovendien meegespeeld.

bron: Harrie Scholtmeijer. Namen in de Noordoostpolder


De dorpswebsite: link 

Nagele

Nagele is een dorp dat flink verschilt van de andere dorpen in de Noordoostpolder. Werden zij gebouwd volgens de wat traditionele opvattingen van de zg. Delftse School, in Nagele mochten in de jaren vijftig de aanhangers van de Opbouw en De Acht, vertegenwoordigers van het Nieuwe Bouwen, hun plannen proberen te verwezenlijken.
Bij deze groep architecten hoorden bekende namen als Aldo van Eyck, Gerrit Rietveld, Mien Ruys en vele anderen. Bij het binnenkomen van het dorp valt de grote centrale parkachtige ruimte op, daarin zijn de scholen, de kerken en het wijk-sportgebouw gesitueerd.

Daar omheen bevinden zich een aantal hofjes, die op hun beurt weer om een centrale parkachtige ruimte liggen.
Alle gebouwen en woningen hebben platte daken. Om Nagele heen is een grote parkachtige bomengordel geplant. Nu na bijna een halve eeuw begint het dorp door het volgroeien van de aanplant steeds meer karakter te krijgen. Eén van de principes is binnen en buiten, wonen en natuur met elkaar te verbinden, zodat de kwaliteit van leven beter zou worden.

In Nagele is de oude rk kerk ingericht als Museum Nagele. In het museum is er een goed gedocumenteerde, professionele tentoonstelling over het ontstaan van Nagele. Met daarnaast steeds twee wisselexposities. Het museum is open van donderdag t/m zondag van 13.00 tot 17.00uur

De Naam.

De naam NAGELE komt van het gelijknamige eiland, dat tussen Urk en Schokland lag en in 1138 voor het eerst genoemd wordt”. Reeds eerder was er ten noorden van Urk een water met de naam Nagel\ deze naam werd tot in de twintigste eeuw gebruikt.

De betekenis is vooralsnog duister.

Naar Nagele genoemd zijn de NAGELERWEG, de NAGELERVAART, de NAGELERTOCHT en in Emmeloord de NAGELERBRUG en de NAGELER
STRAAT.

In aansluiting op de afwijkende bouw van het dorp Nagele is ook de straat naamgeving minder traditioneel van aard.
Alleen de straten rond het doip zijn straten in de gangbare betekenis van het woord en die heten dan ook zo: AKKERSTRAAT EGGESTRAAT, PLOEGSTRAAT en HAKSTRAAT.
Het eerste deel van de naam is – en dat geldt ook voor de andere namen in Nagele – ontleend aan de akkerbouw.

In sommige Zeeuwse dorpen komt een bebouwing als in Nagele voor: een centraal plein met daarop openbare gebouwen en daaromheen de woonhuizen. De krans van huizen rond het plein wordt in Zeeland ring genoemd en om die reden kreeg het dorpsplein van Nagele ook de naam RING.
De ‘straatjes’ rond de ring doen in hun bouw aan de hofjes in oude steden denken en kregen daarom namen samengesteld met -hof. Het eerste deel van de samenstelling wordt gevormd door een gewas: TARWEHOF, GERSTEHOF, KOOLZAADHOF, KARWIJHOF, VLASHOF, KLAVERHOF en LUCERNEHOF. De toegang tot deze hoven wordt gevormd door het plein met de naam VOORHOF.

De winkelpanden van het dorp liggen aan de NOORDERWINKELS en de ZUIDERWINKELS en worden geflankeerd door de OORDERPOORT en de ZUIDERPOORT. Achter de winkels lopen de NOORDERLAAN, de NOORDERDWARSSTRAAT en de ZUIDERACHTERSTRAAT.

De naam Voorhof doorbreekt min of meer het principe dat het woongedeelte van Nagele hof-namen heeft en de straten in het  winkelgedeelte met Noord of Zuid beginnen.
In dat opzicht zijn de woningen aan de Noorderlaan ook een uitzondering.
De naam zelf geeft overigens al aan dat er iets bijzonders aan de hand is. Naast Zuiderwinkels vinden we Noorderwinkels, naast de Noorderpoort is er de Zuiderpoort, maar de pendant van de Zuiderachterstraat heet Noorderlaan. Tot 1975 heette de Noorderlaan Noorderachterstraat, maar op unaniem verzoek van de bewoners, weinig gelukkig met de aanduiding achter-, werd de naam gewijzigd.
De Zuiderachterstraat, aaraan geen woningen staan, werd nimmer object van het burgerinitiatief.

De zuidelijke uitbreiding uit de jaren tachtig heeft een ander stratenplan dan de rest van het dorp; hof-namen lagen dan ook niet voor de hand. Aangezien in de gevallen van DE KLAMP en WENDAKKER echter moeilijk van straat of plein kan worden gesproken, is elke nadere aanduiding achterwege gebleven. Beide namen zijn weer afkomstig uit de akkerbouw. Een klamp is een hooischelf. De Wendakker sluit de bebouwing af waar de straten genoemd zijn naar gewassen, zoals een wendakker op het veld ook aan het eind van de gewassen ligt. Het woord is van noordoostelijke oorsprong. In Holland en Zeeland gebruikt men het woord veuroot en in Brabant vooreind. Deze  verschillende
varianten zijn in de polder vervangen door het woord kopakker, dat de Directie consequent gebruikte. In de Nageler straatnaam leeft het oude dialectwoord nog steeds voort. Het eerste deel, wend, komt ook in Banter straatnamen voor.
Een oud dialectwoord leeft ook voort in DE PIEPER, het Zuidwestnederlandse woord voor aardappel. Ten noorden van De Pieper is ook nog een straatje met de naam De Ajuin geweest, maar door planologische veranderingen rond de Wendakker is die naam begin 2000 vervallen. Ook ajuin is een Zuidwestnederlands streektaalwoord, in dit geval voor de ui. De Pieper en De Ajuin zijn (waxen) originele namen, die – onbedoeld – ook nog eens recht doen aan de voor de polder zo typerende situatie, dat door de diverse dialectachtergronden van de bewoners een gewas meer dan een naam kan hebben.

Vanaf Urk loopt de DOMINEESWEG naar Nagele. De dominees van Urk voeren ongeveer hierlangs wanneer zij op Schokland een predikbeurt hadden. Een van hen, zo wil het verhaal, was onderweg door het ruisen der golven zo afgeleid, dat hij op Schokland aangekomen zich niets meer van de voorbereide preek wist te herinneren.

De dominee van Urk
die zou op Schokland preken,
maar door het razen van de zee
was hij zijn preek vergeten.

De meest westelijke zijweg van de Domineesweg is de ZUIDERMEERWEG, evenals de ZUIDERMEERTOCHT genoemd naar de ZUIDERMEERDIJK, de zuidelijke waterkering langs het IJsselmeer.

Ter hoogte van de Ketelbrug buigt de Zuidermeerdijk van zuidoostelijke in oostelijke richting. Deze knik heet ZWOLSE HOEK, naar de bestemming van de meeste schepen die hier passeren. Oorspronkelijk maakte ook de Zuidermeerweg hier een bocht, parallel aan de dijk, en liep vervolgens door tot aan de Havenweg. Sinds de aanleg van Rijksweg 6 heet dit gedeelte van de Zuidermeerweg KETELMEERWEG. Het trace is bovendien iets verlegd, zodat de Ketelmeerweg nu ook de aansluiting is voor het langzame verkeer op de Ketelbrug. De KETELBRUG overspant het KETELMEER, het water tussen Noordoostpolder en Oostelijk-Flevoland. Ketel, Keteldiep of Ketelmond is de plaats waar de IJssel in de Zuiderzee stroomde.

De HAVENWEG is genoemd naar SCHOKKERHAVEN, op haar beurt weer genoemd naar Schokland. Ook de PALENWEG en de PALENTOCHT vinden  de oorsprong van hun naam op Schokland, en wel in de palen die zowel als zeewering dienden als de verbinding tussen de woonbuurten vormden.

Sinds de aanleg van Rijksweg 6 is de MONNIKENWEG een zijweg van de Domineesweg. Daarvoor verbond hij de Zuidermeerweg met de ABTSWEG.
Monnikenweg, MONNIKENTOCHT, Abtsweg en ABTSTOCHT herinneren aan het klooster dat vroeger in de buurt van Nagele gestaan zou hebben.
De SLUITGATWEG en de SLUITGATTOCHT leiden naar de plaats waar de dijk rond de Noordoostpolder op 13 december 1940, om 13.13 uur werd gesloten.

Ook rond Nagele wordt de herinnering aan de oorlogsjaren levend gehouden in enkele weg- en tochtnamen. Net als de Hannie Schaftweg, de Hannie  Schafttocht en de Karel Doormanweg onder Emmeloord en Tollebeek zijn de JOHANNES POSTWEG, de JOHANNES POSTTOCHT, de HAN STIJKELWEG, de HAN STIJKELTOCHT, de PROFESSOR BRANDSMAWEG en de PROFESSOR BRANDSMATOCHT genoemd naar vaderlanders die omkwamen in de Tweede Wereldoorlog.

Johannes Post (Hollandseveld 4 oktober 1906 – Overveen 16 juli 1944) was een landbouwer die op grond van zijn gereformeerde beginselen in opstand kwam tegen de bezetter. Bij de overval op het Huis van Bewaring te Amsterdam werd hij gearresteerd en enkele dagen later gefusilleerd.

Han Stijkel (Den Haag 8 oktober 1911 – Berlijn-Tegel 4 juni 1943), doctorandus in de Engelse taal- en letterkunde, richtte aan het begin van de oorlog een spionage-organisatie op. Bij de voorbereiding van een overtocht naar Engeland werd hij verraden. Samen met ruim dertig medewerkers werd hij daarna gefusilleerd.

Professor Titus Brandsma (Bolsward 23 februari 1881 – Dachau 26 februari 1942) was bij het uitbreken van de oorlog hoogleraar in de Nederlandse Mystiek te Nijmegen en geestelijk adviseur van de rooms-katholieke dagbladen. In die laatste functie trok hij fel van leer tegen de Duitsers en de pro-Duitse beweging in Nederland. Als gevolg daarvan werd hij op 19 januari 1942 gevan-
gen genomen en naar Dachau gezonden, waar hij overleed. In 1985 werd Titus Brandsma zalig verklaard.

Ook de namen VLIEGTUIGWEG en VLIEGTUIGTOCHT zijn ontleend aan de Tweede Wereldoorlog, om precies te zijn aan een vliegtuig van het type B-48
dat hier een noodlanding maakte. De namen zijn ook bedoeld als hommage aan al die andere geallieerde vliegtoestellen die in de polder neerkwamen of wapens afwierpen.


Website Nagele : link

Marknesse

De uit 1132 daterende bezittingenlijst van het Staverse klooster St. Odulf, waar in MARKNESSE, gespeld als Marcnesse, voor het eerst genoemd wordt en waaraan men de naam van het dorp ontleend heeft, is een vervalsing uit de tweede helft van de dertiende eeuw.
De precieze ligging van Marknesse is onbekend; de kronieken spreken van ‘omtrent Urk en Schokland’. Dat met Marcnesse Marken bedoeld zou zijn, zoals ook wel is beweerd, wordt hierdoor minder waarschijnlijk.

De naam bestaat uit twee delen: mark en nesse.

Mark heeft als oorspronkelijke betekenis ‘grens, grensgebied’. Daarvan zijn de overige betekenismogelijkheden afgeleid: ‘water langs de grens, dan wel in het algemeen water’, ‘onverdeeld bezit, eventueel met inbegrip van de beherende organisatie’ of een deel van een persoonsnaam, bij voorbeeld de germaanse naam Markward ‘beschermer van de mark’.
Voor dat laatste valt wel wat te zeggen, omdat namen met -nes vaker een persoonsnaam als eerste deel hebben.
Omdat we nagenoeg niets weten van het oude Marcnesse valt ook moeilijk met zekerheid te zeggen welke betekenis mark hier gehad heeft.

Voor nesse is dat gemakkelijker; dat gaat terug op het germaanse nasja, met als betekenis ‘landtong’ (letterlijk: ‘neus’) en als afgeleide betekenis: ‘buitendijks land, laag of moerassig land’. Nes in de elementaire vorm komt in Nederland een aantal malen voor, waarvan de naam van het Amelandse dorp wel de bekendste is. In  samenstellingen, zoals Marknesse, verschijnt het nog vaker, in diverse gedaanten, zoals Bolnes, Pernis en Bruinisse.

Tot de tientallen plaats- en veldnamen met mark behoren onder andere Marken (ook in de Zuiderzee!) en Markelo.

Straten en wegen:

Naar Marknesse genoemd zijn de MARKNESSERWEG, de MARKNESSERVAART, de MARKNESSERSLUIS, de MARKNESSERTOCHT en de
MARKNESSERBRUG in Emmeloord.
Uitgangspunt voor de naamgeving van Marknesse is de ligging van het dorp tussen de twee polderafdelingen met een verschillend waterpeil geweest. Het meest kenmerkende punt is dan ook de sluis, waamaar de straat SLUIS genoemd is. Het verschil in waterpeil komt tot uiting in de namen LAGE SLUISWAL, LAAGZIJDE, HOGE SLUISWAL en HOOGZIJDE. Het onverbogen bijvoeglijk naamwoord in Hoogzijde en Lciagzijde lijken een germanisme, maar ook in het Nederlands zijn juist in straatnamen dergelijke constructies niet ongebruikelijk.

De brede straat tussen Hoogzijde en Laagzijde heet BREESTRAAT. Aan de andere kant van de Hoogzijde loopt de oudste straat van Marknesse, de OUDEWEG. De KAMPWEG houdt de herinnering aan het arbeiderskamp levend.
De EMMELOORDSEWEG gaat in de richting van Emmeloord.
Parallel hieraan loopt de BOSLAAN, genoemd naar het bos van Marknesse.
De SCHAKEL is de schakel tussen Breestraat en Boslaan.

De GROENE ZOOM heet groen vanwege het laanachtige aanzien en zoom omdat het eertijds de noordelijke grens van het dorp was. Achter deze zoom gaat de Breestraat over in het NOORDEINDE en de Kampweg in het OOSTEINDE. Het WESTEINDE vormde het westelijke einde van het doip. Bij latere uitbreidingen zijn er nieuwe grenzen gekomen: NOORDZOOM, BOSZOOM en WESTERKIMME. Kimme is een ander woord voor ‘horizon’: ‘en aan de horizon leit Emmeloord’.

De straat tegenover Groene Zoom heet GRACHTWAL, naar de daarlangs lopende gracht. In eerste instantie had de Dorpsvereniging de naam Iepenwal voorgesteld, omdat de gracht ‘aan een kant een beplanting van iepen (heeft) welke volgens Staatsbosbeheer de enigste zijn die in een dorpskern zijn geplant. Wij zijn in het dorp blij met deze iepen en hebben de straat dan ook Iepenwal genoemd’ (brief van de Dorpsvereniging aan het Openbaar Lichaam, 7 november 1945). De landdrost kwam vervolgens de vreugde bederven: het hele noordelijke gedeelte van Marknesse wordt met iepen beplant, zodat de
specifieke motivering vervalt. Uit het nieuwe voorstel Grcichtswal verwijderde de landdrost de genitief-s. De Dorpsvereniging zal aan de gang van zaken wel gewend zijn geweest. Nergens in de polder zijn de wensen van de bevolking ten aanzien van de naamgeving zo frequent door de landdrost doorkruist als in Marknesse.

Omdat Marknesse te midden van een akkerbouwgebied ligt, viel er aan namen uit de akkerbouw niet te ontkomen.
Zo ontstonden LANGE VOOR, KORTE VOOR, OOSTERVOOR en WESTERVOOR.

Van twee straatnamen in het ‘oude’ Marknesse is de betekenis minder duidelijk dan van de hiervoor behandelde straatnamen: de G. LOKKENSTRAAT en de MAANHUIZENLAAN.

G. Lokken was de beheerder van een van de twee kampen in Marknesse. Het kamp bevond zich ter hoogte van deze straat. Maanhuizen was de naam die oorspronkelijk voor Marknesse was bedoeld. De naam komt van een oud buurtje aan de noordoostkant van Schokland. Door het voortdurende geweld van de zee zagen de bewoners zich gedwongen naar de meer zuidelijke gedeelten van het

eiland te verhuizen. Maanhuizen verdween in de golven en zelfs de naam is maar temauwernood aan de vergetelheid ontrukt. Naast Emmeloord en Ens had
Maanhuizen als plaatsnaam overigens zeker niet misstaan.

De meest noordelijke uitbreiding kreeg in 1964 de namen WARANDE (‘wandeldreef), MEIDOORNHOF, ROZENHOF en JASMIJNHOF. Het karakter van de nieuwbouw wordt onderstreept door de naam GROENESTRAAT. De naam CLEMATISSTRAAT is in 1973 aan deze straatnamen toegevoegd.
De PASTOOR WEIJSSTRAAT en de DS. BLEEKERSTRAAT zijn genoemd naar pastoor A.T.W. Weijs en ds. G.H. Bleeker, de eerste voorgangers van Marknesse en leidende figuren uit de opbouwtijd. Het KERKPAD loopt langs de plaats waar vroeger de N.H.-kerk stond en nu de R.K.-kerk staat. De DOKTER M. RIJKENHOF is genoemd naar de arts die in 1943 in het ziekenhuis van Emmeloord begon, en in 1945 naar Vollenhove verhuisde om vandaaruit zijn werkzaamheden in de Noordoostpolder te venichten. Na een periode in Nederlands-Indie als militair arts (1947-1949) vestigde hij zich in augustus
1949 als huisarts in Marknesse. Van 1951 tot 1955 was hij lid van de Poldercommissie.

De nieuwe straten op de oude sportvelden heten naar de paardensport: PARCOURS, BARRAGE en REMISE. De uitbreiding van het Marknesser industrieterrein, ten zuiden van de Marknesservaart, kreeg in 1984 de toepasselijke naam EXPANSIE.

Begin jaren negentig werd ook ten zuiden van de Zwolse Vaart gebouwd. Het gedeelte van de Leemringweg waar huizen komen, moet in verband met de
huisnummering een nieuwe naam krijgen. Die naam wordt WALCHERSELAAN, omdat aan de Leemringweg veel boeren hebben gewoond die van Walcheren afkomstig waren. De MARKEZIJDE is genoemd naar het verzorgingshuis Markehof, waar inmiddels veel van die boeren (en boerinnen) wonen.
De KAVELZOOM ontleent zijn naam aan de kavel, het deel van de polder dat tot een landbouwbedrijf behoort. Het deel zoom komt in Marknesse een aantal keren voor, maar hier is niet echt van een ‘zoom’ sprake.

Ook andere namen in deze wijk sluiten min of meer bij bestaande Marknesser straatnamen aan: ZUIDEINDE (naast Noordeinde, Westeinde en Oosteinde) en MIMOSAHOF (naast Meidoornhof, Rozenhof en Jasmijnhof). DE OOSTHOEK past in het rijtje met windrichtingnamen waartoe naast de al genoemde ook Noordzoom, Oostervoor, Westervoor en Westerkimme behoren.

DE ENK past in zekere zin bij Markezijde: zowel de enk als de marke kunnen gemeenschappelijke gronden aanduiden.

De FEIKE BRUINSMAWEG is genoemd naar een figuur uit de historie van Marknesse: F.J. Bruinsma was mede-oprichter en voorzitter, en later erelid van de Vereniging Dorpsbelang, en een van de initiatiefnemers tot het in 1992 uitgegeven boek 50 jaar Marknesse.

De overige namen in Marknesse-Zuid zijn wat minder typisch voor de plaats.
Ze zijn tot stand gekomen na een door de Dorpsvereniging uitgeschreven prijsvraag. De vereniging laat de uiteindelijke keuze vallen op waterplanten, omdat Marknesse-Zuid een waterrijke wijk wordt: WATERLELIE, RIETPLUIM, LISDODDE, DOTTERBLOEM, GENTIAAN, ZWANEBLOEM, FLUITEKRUID, KRABBESCHEER en OEVERKRUID. Geen originaliteitsprijs, al is het wel opvallend dat men in 1998 bewust kiest voor de dan verouderde spelling Fluitekruid, in plaats van de officiele spelling Fluitenkruid.

In Marknesse komen de Oosterringweg en de Leemringweg samen. Een zijweg van de eerste is de BAARLOSE WEG, evenals de BAARLOSE DWARSWEG en de BAARLOSE TOCHT genoemd naar het plaatsje Baarlo ten noorden van Blokzijl.

De KLEIWEG en de SLOEFWEG zijn zijwegen van de Leemringweg en net als deze genoemd naar de geologische afzettingen die in het betreffende gebied aan de oppervlakte komen. Klei, ook vernoemd in de KLEITOCHT, behoeft geen nadere toelichting; sloef daarentegen is onbekender.
De korrelgrootte van sloef ligt tussen zand en klei en het komt overal in de polder voor, vaak op
geringe diepte en in dikke lagen. Sloef is geen gemakkelijk te bewerken grondsoort, maar door het toepassen van diverse technieken konden de aanvankelijk vele problemen toch overwonnen worden.

Ter hoogte van de KLEEFTOCHT is veel kleef gebaggerd. Kleef is een vettige klei, doorgaans grijs of groen-grijs van kleur.

In de buurt van de BOMENWEG en de BOMENTOCHT zijn grote hoeveelheden boomresten aangetroffen.

De VOLLENHOVERWEG loopt naar Vollenhove. Oorspronkelijk had men voor die weg de naam Zwolsche Weg in gedachten, analoog aan de Zwolse (toen nog: Zwolsche) Vciart. Zwolsche Weg zou hier echter misleidend zijn: wie van- uit de polder naar Zwolle wil, zal dat meestal via de Kamperweg doen.
Een probleem was, dat er al een Vollenhovensche Weg bestond, voor de verbinding door de polder tussen Kadoelen en Blokzijl, langs het Vollenhoverkanaal.
Die weg is daarom naderhand omgedoopt in REPELWEG respectievelijk ETTENLANDSE WEG.

De Repelweg is genoemd naar de Repel, de vroegere toegangsgeul tot de haven van Vollenhove. Een repel is eigenlijk een lange, smalle zandbank. De Ettenlandse Weg ontleent zijn naam aan de in het oude land gelegen Ettenlandse kolk. Etten is ‘doen eten’, het ettenland is dus het land waar de boer de koeien laat grazen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld hooiland.

De VOORSTERWEG en de VOORSTERTOCHT lopen in de richting van de Voorst, ten zuiden van Vollenhove (zie ook onder Kraggenburg).
De noordelijke zijwegen van de Vollenhoverweg heten STEENWIJKERWEG en BLOKZIJLERWEG, genoemd naar de plaatsen waarheen ze leiden, al gaat ook de kortste route van Marknesse naar Blokzijl niet over de Blokzijler- maar over de Steenwijkerweg. De BLOKZIJLERTOCHT en de STEENWIJKERTOCHT lopen parallel aan de gelijknamige wegen.
Dwars op de Steenwijkerweg en de Blokzijlerweg staan de STEENWIJKERDWARSWEG respectievelijk de BLOKZIJLERDWARSWEG

Vanaf de Ettenlandse Weg loopt een weggetje naar het tenein voor dagrecreatie aan het Vollenhovermeer.
Op voorstel van een achtjarige inwoner van Marknesse kreeg deze weg in 1982 de naam VISWATERWEG.

Het VOLLENHOVERKANAAL is sinds de inpoldering de verbinding van Vollenhove en Blokzijl met het open water.
Het kanaal loopt van Blokzijl tot aan de Kadoelersluis, en gaat daarbij zowel door het VOLLENHOVERMEER (het zeegien) als het Kadoelermeer.
Het wegverkeer kruist dit kanaal ongeveer halverwege, over de VOLLENHOVERBRUG.

Website Marknesse : link

LUTTELGEEST

is genoemd naar een plaats met dezelfde naam die vroeger bij Kuinre lag.
De naam verschijnt voor het eerst in 1379, wanneer toestemming gevraagd wordt aan Dirk van Swieten, Heer van Urk, om een versterking te bouwen teneinde de zeeroverij van de Friezen op de Zuiderzee te kunnen bestrijden.

De verklaring van de naam Luttelgeest is niet ingewikkeld. Luttel is ‘klein’ en geest is de benaming voor hoge zandgronden.
In het westen van ons land zijn de geestgronden het gebied tussen de duinenrij en de lage veen- of poldergronden, maar ook langs de Zuiderzee kwamen dergelijke gronden voor, getuige de naam Gaasterland.

Door een (dialectisch) afwijkende vorm van geest dient men- zich overigens niet te laten misleiden: de naam Lutjegast (in Groningen) is identiek aan Luttelgeest.

Staten en wegen

Naar Luttelgeest genoemd zijn de LUTTELGEESTERWEG, de LUTTELGEESTERVAART en de LUTTELGEESTERTOCHT.
De zandgronden, waamaar de naam Luttelgeest verwijst, zijn karakteristiek voor de provincie Drenthe. Naar analogie van de benaming brink voor het centrale plein van doipen in Drenthe heeft het langgerekte plein in Luttelgeest de naam LANGE BRINK gekregen. Vanaf de Oosteningweg leidt de BRINKWEG naar deze brink. Ook de OOSTERSTRAAT bereikt, vanuit het oosten, de brink. De KAMPLAAN verbond het voormalige kamp Oostvaart met de Lange Brink.
KADE, KERKSTRAAT, SCHOOLSTRAAT en SPORTSTRAAT zijn namen die voor zich spreken. Ter hoogte van de TUINSTRAAT lagen in de begintijd van Luttelgeest de volkstuinen. Uit diezelfde begintijd dateert het verzoek van de bewoners om een ruitersportterrein. Dat heeft gelegen op de plaats waar nu de RUITERSTRAAT loopt. Ook de AMAZONESTRAAT – een naam uit 1975, het jaar van de vrouw – herinnert aan het terrein.
H. List was hoofd van de openbare lagere school te Luttelgeest. Voor de maat schappelijke opbouw van het dorp heeft hij veel betekend. De MEESTER H. LISTSTRAAT is daarom naar hem genoemd.
Voor het verlengde van de Kade hadden B en W in 1964 de naam Herenstraat in gedachte, naar de Heren van Kuinre die in de nabijheid hun burcht hadden.

De tulpen die elk jaar rond Luttelgeest in bloei staan, brachten de Vereniging voor Dorpsbelang op andere gedachten, zodat de naam TULPENLAAN uiteindelijk doorgang vond. De teelt van gerbera’s leidde in 1977 tot de naam GERBERASTRAAT. Begin jaren negentig werden aan de bloemenstraatnamen de ROZENSTRAAT en de ZONNEBLOEMSTRAAT toegevoegd.

De meeste wegen en tochten in het oosten van de polder dragen namen van plaatsen op het oude land. De BLANKENHAMMERWEG, de BLANKENHAMMERTOCHT en de HOGE BLANKENHAMMERTOCHT (het bijvoegelijk naamwoord houdt verband met het waterpeil in de tocht) zijn genoemd naar het plaatsje Blankenham. Wie overigens meent, dat ‘bedachte’ plaatsnamen alleen in een nieuw gebied als de polder voorkomen, hoeft slechts zijn blik op dit punt van de dijk te richten: Blankenham is genoemd naar bisschop Frederik van Blankenheim die hier (het heette toen nog Den Ham) een kerk
stichtte.

Achter Blankenham ligt Kalenberg, waaraan de KALENBERGERWEG, de  KALENBERGERTOCHT en de HOGE KALENBERGERTOCHT hun namen ontlenen. Naar Kuinre heten KUINDERWEG, KUINDERVAART, KUINDERTOCHT en KUINDERBOS. Bij Kuinre stroomde eertijds het riviertje de Linde in de Zuiderzee; de LINDEWEG en de LINDETOCHT zijn hiernaar genoemd.

In 1990 krijgt de nieuwe weg ter ontsluiting van het glastuinbouwgebied de naam KALENBERGERDWARSWEG. Hoewel deze naam goed past in het algemene naamgevingspatroon (vergelijk Blokzijlerdwcirsweg, Steenwijkerdwarsweg en Baarlose Dwarsweg), is niet iedereen er gelukkig mee. De directeur van het Hoofdpostkantoor te Emmeloord vreest verwarring met de naam
Kalenbergerweg. De Vereniging voor Dorpsbelang komt dan met de suggestie Weteringweg, maar die wordt afgewezen met het argument dat er in de gemeen-
te al een Weteringstrciat is, namelijk in Emmeloord. De vereniging vindt dit geen goed argument: er komen in de polder immers wel meer doublures voor en in zulke gevallen biedt de postcode soelaas. De nieuwe weg blijft Kalenbergerdwarsweg heten, maar twee jaar later komt de gemeente de vereniging alsnog tegemoet door de straat die haaks op de Kalenbergerdwarsweg
loopt de naam WETERINGWEG te geven. Deze naam, ook weer ontleend aan een plaats op het aangrenzende oude land, onderscheidt zich van andere namen in de buurt door het achterwege blijven van het achtervoegsel -er in het eerste deel (vergelijk Kalenbergerweg, Blankenhammerweg).

Een Fremdkorper in dit gezelschap van oudelandse namen is de naam BLOEMENWEG voor de weg die in 1979 tussen de Kuinderweg en de Kuindertocht werd aangelegd, ter ontsluiting van de glastuinbouwbedrijven aldaar. De naam is ook een bijzonderheid omdat hier niet het gemeentebestuur maar de Rentmeester der Domeinen naamgever is.

Waar nu de UITERDIJKENWEG loopt, lag vroeger het buitendijkse land van Blokzijl.

Door het Kuinderbos loopt de SCHANSWEG. Hier bezaten de heren van Kuinre een versterking in de vorm van een schans. In later tijd werd de schans vervangen door een burcht, waarvan de resten bij de inpoldering zijn teruggevonden. Aan deze burcht ontlenen de BURCHTWEG en de BURCHTTOCHT hun namen.

Het dorp werd geheel volgens plan gesticht in 1956  als agrarische nederzetting in de toen tien jaar droge Noordoostpolder.

De naam Espel is afgeleid van Espelbergh, ook Espelo genoemd,  een dorp dat ooit ten noorden van Urk gelegen was.
Dit gebied is later door de Zuiderzee opgeslokt.
Het nieuwe dorp kreeg na de stichting diverse voorzieningen,  zoals winkels, een drietal scholen, twee kerken en twee cafés.

Zoals je op de luchtfoto onder kan zien, is Espel in aanvang gebouwd op een standaard kavel.
Landbouw-kavels in de Noordoostpolder zijn 300 x 800 meter.

Naam Espel

ESPEL is genoemd naar Espelo (ook wel geschreven als Espel of Espelbergh) dat vroeger ten noorden van Urk lag.
Volgens een boek uit 1317 lag Urk toentertijd ‘in parochia dicta Espelo’.
Het achtervoegsel -lo wordt doorgaans als ‘bos’ geïnterpreteerd, maar het kan ook laag kreupelhout of zelfs een waterloop (en daarmee samenhangend: een moerassig gebied) aanduiden.
Deze betekenissen zijn hier niet eens onwaarschijnlijk, omdat de esp (waar espevan afgeleid is) een boomsoort is die juist op natte grond gedijt.

Bij Holten ligt een dorp met de naam Espelo.

Straten en wegen

Naar Espel genoemd zijn de ESPELERWEG, de ESPELERRINGWEG, het ESPELERPAD, de ESPELERVAART, de ESPELERTOCHT, de ESPELERDWARSTOCHT en in Emmeloord de ESPELERLAAN en de OUDE ESPELERWEG. De Emmeloordse wijk Espelervaart ontleent haar naam aan het gelijknamige kanaal.

De KEGGEHOF boort zich als een keg (‘wig’) in het midden van het dorp. Aan deze straat liggen de winkels, die hun achteruitgang hebben op de ACHTERZIJDE. De namen BREDEHOF en, in het verlengde daarvan, HET LAANTJE spreken voor zich.


De VAARTWEG, genoemd naar de Espelervaart waar de weg langs loopt, is de oostelijke rand van het dorp. De overige begrenzingen waren oorspronkelijk de NOORDERRAND, de WESTERRAND en de ZUIDERRAND.
De SPORTSTRAAT loopt van de Bredehof naar de voetbalvelden. Vanwege deze naam was het niet goed mogelijk om de straat die langs het sportterrein loopt Sportweg te noemen.
Aan de vereniging ‘Dorpsbelang Espel’ werd, zonder enige voorwaarde vooraf, gevraagd een suggestie voor de naam van de betreffende straat in te dienen. De Dorpsvereniging kwam vervolgens met
Bosrand, een naam waar men op het gemeentehuis weinig gelukkig mee was: er is in de gemeente al een Bosrand, te Ens. Omdat men evenwel voor de  naamskeuze geen beperkende voorwaarden vooraf had gesteld en omdat wel vaker een straatnaam meer dan eens in de polder voorkomt, besloot de gemeenteraad het toch maar op BOSRAND te houden.

Ten aanzien van Schoolstraat en Tulpstraat, suggesties voor de straat die uiteindelijk LELIESTRAAT is genoemd, stelde het gemeentebestuur zonder pardon: geen straatnamen die lijken op of hetzelfde zijn als wat elders in de polder voorkomt.

In 1992 vindt uitbreiding plaats aan de westrand van Espel. De nieuwe straten krijgen namen die ontleend zijn aan de windmolens die op de nabijgelegen
Westermeerdijk staan: WINDMOLENHOEK, TURBINE en DE WIEKEN.
De nieuwe verbinding tussen Bosrand en Zuiderrand krijgt bij die gelegenheid ook de naam Bosrand.

De zuidelijkste straat van Espel, op het industrieterrein, heet DE BUN. Een bun is op een visserschip de bak waarin de gevangen vis levend wordt bewaard.

De NOORDERMIDDENWEG en de ZUIDERMIDDENWEG zijn het noordelijke en zuidelijke gedeelte van een weg midden in het westelijke poldergebied.
Het NOORDERDWARSPAD en het ZUIDERDWARSPAD zijn hiervan zijwegen. Deze namen met pad zijn de uitzondering op het systeem waarin de pad-namen ten westen van de ringweg liggen, tussen meerweg en ringweg, en de vveg-namen binnen de door de ringweg gevormde ring.
De WESTERRINGWEG ligt in het verlengde van de Espelerringweg en beide wegen vormen het westelijke gedeelte van de ringweg door de polder.
De wegen met een naam die eindigt op -meerweg, evenwijdig aan deze ringweg, vormen min of meer ook een ringweg, zij het een incomplete: alleen daar, waar de polder grenst aan het IJssel-, Ketel- of Zwarte Meer. De WESTERMEERWEG loopt, evenals de WESTERMEERTOCHT, vlak achter de WESTERMEERDIJK.
Deze dijk is de westelijke waterkering langs het IJsselmeer. Naar de IJsselmeerdijk lopen vanaf de Noorder- en de Westermeerweg drie weggetjes, die telkens eindigen bij een schapenboet.
Het meest zuidelijke weggetje heeft daarom de naam SCHAPENPAD gekregen. De andere weggetjes zijn Zuidermeerpad en Noordermeerpad (zie onder Creil).

Het ANKERPAD en de ANKERTOCHT zijn genoemd naar de ankers die in dit gedeelte van de polder bij de droogmaking zijn gevonden. Het ONDERDUIKERSPAD ligt in het verlengde van de Onderduikersweg (zie onder Emmeloord).


Website Espel: link

Het klinkt misschien eigenaardig, maar toen de eerste bewoners zich in 1949 in het dorp Kraggenburg vestigden, bestond Kraggenburg al meer dan 100 jaar. Eind december 1848 vestigde Hendrik Willem Winkel zich met vrouw en kinderen in de Lichtwachterswoning op het kunstmatig aangelegde eilandje bij de vluchthaven Kraggenburg, dat gelegen was aan het eind van twee strekdammen, die de verzanding van de monding van het Zwarte Water in het Zwolse Diep moesten tegengaan.

Het Zwarte Water is voor de stad Zwolle (en ook voor Hasselt, Genemuiden en Zwartsluis) eeuwenlang de belangrijkste scheepvaartverbinding met de Zuiderzee geweest. Zwolle lag namelijk in tegenstelling tot Kampen niet aan de IJssel. Kampen had hierdoor een goede verbinding met de Zuiderzee en daardoor ook met de rest van de wereld en Zwolle zag dit met lede ogen aan.

Zwolle had in het midden van de 19e eeuw grote plannen. De stad wilde uitgroeien tot het centrum van Noord-Nederland. Over een spoorwegknooppunt werd in die tijd nog helemaal niet gesproken. Maar Zwolle moest een knooppunt worden waar vele waterwegen bij elkaar zouden moeten komen. En daarin speelde het Zwarte Water een alles overheersende rol. Het Zwarte Water maakte ook scheepvaartverbindingen mogelijk met de Overijsselse Vecht, de Dedemsvaart, het Meppelerdiep en de Arembergergracht. En via de Zuiderzee met steden als Amsterdam, Rotterdam, Harlingen enzovoort.

Het grote probleem van het Zwarte Water was, evenals overigens van de IJssel, dat de bevaarbaarheid als gevolg van verzanding steeds weer voor grote moeilijkheden zorgde. Om aan dit probleem voor eens en voorgoed een einde te maken, schreef in 1843 de in Zwolle gevestigde ‘Overijsselse Vereniging tot Ontwikkeling van de Provinciale Waterstaat’ een prijsvraag uit met als inzet: de verbetering van de scheepvaartroute van Zwolle naar de Zuiderzee.

Daarmee start eigenlijk de geschiedenis van Kraggenburg. We mogen met een gerust hart vaststellen dat de geschiedenis van Kraggenburg in Zwolle begint.

Hoe ontstond Kraggenburg?

Op de prijsvraag kwam slechts één reactie binnen van een 28-jarige ingenieur van Rijkswaterstaat, Ir. Benjamin Pieter Gesienus van Diggelen. Hij wilde twee leidammen aanleggen in het Zwolse Diep, vanaf de monding van het Zwarte Water ongeveer 6 kilometer de Zuiderzee in. Aan het eind van deze leidammen was een ruime vluchthaven gepland, geschikt voor wel zeventig schepen en daarbij een terp met daarop een lichtwachterswoning.

Het plan werd van alle kanten bekeken en bestudeerd en tenslotte werd het goedgekeurd en kon aan het karwei worden begonnen. De Rijksoverheid was niet bereid in het plan te investeren. Dat was een streep door de rekening. Daarop werd een particuliere maatschappij opgericht: ‘De Naamloze Maatschappij ter verbetering van den handelsweg over het Zwolse Diep’. Wie werd de directeur van de maatschappij? Juist ja: de plannenmaker Ir. Benjamin Pieter Gesienus van Diggelen. Hij kreeg later nog meer bekendheid (1849) door zijn plan tot droogmaking van de Zuiderzee. In Emmeloord is een straatnaam naar hem genoemd.

Van 1845 tot eind 1853 was Van Diggelen directeur van genoemde maatschappij en onder zijn leiding werd in 1845 een begin gemaakt met de aanleg van twee leidammen en de bouw van de lichtwachterswoning aan het eind van één van de leidammen.

Kraggen

Voor de aanleg van de leidammen werden ‘kraggen’ gebruikt: drijvende stroken vast ineengegroeide zoden van riet en waterplanten. Die kraggen waren voor een spotprijs te koop in de omgeving van Wanneperveen, Dwarsgracht en Giethoorn.

Ter plaatse werden de kraggen losgestoken in lange repen tot een breedte van ongeveer twee meter. Die stroken werden dan aan elkaar verbonden en vormden dan een lange sleep. Honderden meters werden op die manier achter een schip over de Arembergergracht vervoerd naar Zwartsluis en vandaar bereikte men het Zwarte Water en het werkterrein in het Zwolse Diep.

Het ontstaan van de naam Kraggenburg

Over het ontstaan van de naam Kraggenburg bestaat een aardige anekdote. Het verhaal wilde namelijk dat een schipper of schippersknecht, een zekere Jacob Bruintjes, op een gegeven ogenblik op de aangevoerde kraggen rondsprong en schreeuwde: “De Kraggenburcht.” Of dit verhaal echt waar is, valt echter te betwijfelen, want nergens in de stukken is hierover iets vermeld. De Jacob Bruintjesstraat in het huidige Kraggenburg herinnert aan deze man.

De lichtwachters

Toen in 1848 het project klaar was, werd er een lichtwachter gezocht. Hendrik Winkel had blijkbaar de beste papieren, want hij werd tot de eerste lichtwachter van Kraggenburg benoemd en ging eind december 1848 met vrouw en kinderen in de woning aan het eindpunt van de zuidelijke leidam wonen. De eerste burchtheer van Kraggenburg zou zeven gulden per week verdienen en vrij mogen wonen.

De taak van de lichtwachter

De werkzaamheden van Hendrik Winkel bestonden in eerste instantie uit het ontsteken van de lichten op de leidammen en op de lichtwachterswoning, maar dat was niet het enige. Hij moest ook de liggelden innen van de schepen die bij slecht weer hun toevlucht zochten in de vluchthaven. Winkel moest ook tol heffen, want de Maatschappij had veel kosten gemaakt en kreeg van de Rijksoverheid de opdracht om tol te heffen van elk schip, dat gebruik maakte van het Zwolse Diep. Die tol kon ook betaald worden in Genemuiden, Hasselt of Zwolle.

Hoewel deze tol in onze ogen misschien niet veel voorstelt, betekende het in die tijd nogal wat en zeker omdat het Zwolse Diep altijd vrij van tol was geweest. Hier volgen enkele tarieven:

* van elk geladen zeeschip 0,20 cent
* idem met gebroken lading 0,15 cent
* idem ongeladen 0,10 cent
* van een geladen binnenschip 0,03 cent

Om bij slecht weer in de haven te mogen liggen, werden de volgende prijzen in rekening gebracht, voor vijf etmalen:

* voor schepen van 606 tot 26 ton 0,50 cent
* voor schepen van 25 tot 10 ton 0,25 cent
* voor schepen minder dan 10 ton 0,15 cent
* voor schepen minder dan 10 ton 0,15 cent

Ook voor het jaagpad dat over de zuidelijke dam was aangelegd moest tol worden betaald en dat bedroeg: ƒ 0,25 per trekdier.

De burchtheer, Hendrik Winkel, dreef ook een winkeltje ten behoeve van schippers en loodsen en hij moest bovendien ook nog letten op het onderhoud van de materialen. Ook moest hij er voor waken dat ‘kwaadwilligen schade aanrichtten’. Bij het huis van heer Winkel moet ook een stalling voor paarden zijn geweest, want door de geringe breedte van de vaargeul tussen de leidammen was het niet mogelijk om te laveren zodat bij tegenwind gebruik moest worden gemaakt van een paard om de schepen richting Zwartsluis te trekken over het jaagpad op de zuidelijk leidam. Deze Hendrik Winkel moet dus een echte manus van alles geweest zijn.

Tot 1856 bleef Hendrik Winkel de burchtheer van Kraggenburg. Hij had verzocht om ontslagen te worden, omdat hij meer wilde verdienen. Dit geld wilde hij gebruiken om een knechtje in dienst nemen om zijn taak te verlichten. Ook het slechte onderhoud van leidammen en de woning droegen er veel toe bij om ontslag te vragen. Maar wellicht heeft de strenge winter van 1854/1855, gevolgd door een zware storm de doorslag toch wel gegeven. Hij moest hierdoor noodmaatregelen treffen voor hemzelf, zijn vrouw en kinderen, teneinde het vege lijf te redden.

Rijkswaterstaat nam in 1875 de ernstig verwaarloosde dammen en de havenmeesterswoning over. De tolheffing werd afgeschaft en de waterweg werd verbeterd. De lichtwachterswoning werd afgebroken en in 1877 werd een nieuwe woning gebouwd, het huidige Oud-Kraggenburg, op een verhoogde terp van 4.50 meter boven Amsterdams Peil.

Een van de laatste lichtwachters was Casper Kombrink (1902-1911). Zijn nazaten wonen nog in Kraggenburg en de Casper Kombrinkstraat is naar hem genoemd. Een zoon van Casper Kombrink, Lammert, heeft een boek over Oud-Kraggenburg geschreven met als titel De Zeeburcht.

De laatste lichtwachter was Barend Kroeze. Hij was lichtwachter van 1911-1920. Vanaf 1920 tot de inpoldering van de Noordoostpolder heeft Oud-Kraggenburg geen vaste bewoner meer gekend. De lichten waren geautomatiseerd en vanaf het land van Genemuiden werden de lichten regelmatig gecontroleerd. Na de inpoldering werden de dammen grotendeels afgebroken en de stenen gebruikt voor de aanleg van de polderdijken.

Het gebouwtje is inmiddels sinds jaar en dag in particuliere handen en is na een inspannende periode door de nieuwe eigenaar ingrijpend gerestaureerd daar het gebouw door weer en wind tot barstens toe was aangetast. De woning is technisch zeer interessant omdat in het inwendige van het huis een gietijzeren constructie is opgenomen die de koepel draagt.

De huidige eigenaar is zeer gesteld op zijn privacy maar heeft wel mee gewerkt aan een fotoreportage over de restauratie van zijn pand. Deze reportage is hier te vinden. Jaarlijks, tijdens ‘open monumentendag’ en het ‘Uit-je tent’ weekend, is Oud-Kraggenburg opengesteld voor publiek en vertelt de bewoner over de geschiedenis van de terp.

De naam

De naam KRAGGENBURG werd in 1847 gegeven aan het noodhaventje bij de mond van het Zwolse Diep. Bij de aanleg van de leidammen, die de verzanding van het Zwolse Diep moesten tegengaan, maakte men gebruik van kraggen, drijvende stukken laagveen die gevormd zijn in diepe plassen of meren, in dit geval in Noordwest-Overijssel. Door op een dergelijke, goedkope wijze de dijken aan te leggen heeft men van de bespaarde gelden een noodhaven kunnen bouwen. De haven Kraggenburg verdween bij de aanleg van de polder. Slechts de vuurtoren, die nu Oud-Kraggenburg heet, herinnert aan de tijden van weleer.
Aan de oorsprong van de naam is een aardig verhaal verbonden. Jacob Bruintjes, werkzaam bij het transport van de kraggen van Wanneperveen naar het Zwolse Diep, zou op de kraggen rondgesprongen hebben, roepende ‘de Kraggenburcht!’

Etymologisch is er verwantschap met Creil (zie pag. 21).

De naam KRAGGENBURGERWEG is ouder dan Kraggenburg, en naam is dan ook niet ontleend aan het huidige dorp Kraggenburg, maar aan de oude haven. De weg die oorspronkelijk Kraggenburgerweg heette liep ook langs het oude Kraggenburg; dat is de weg die nu Paardenweg heet. De aanleg van het dorp Kraggenburg (pas in tweede instantie aan het polderplan toegevoegd) bracht met zich mee dat de naam Kraggenburgerweg gereserveerd diende te worden voor de weg die naar dat dorp leidde. Tot dan toe had die weg Smeengeweg geheten (zie ook onder Bant).

Een ‘meent’ is, vooral in de Gelderse en Overijsselse steden, de naam voor het gemeenschappelijke erf en komt buiten de steden voor als aanduiding van het gemeenschappelijke land. De meent van  Kraggenburg wordt omringd door de NOORDERMEENT, de ZUIDERMEENT en de TUSSENMEENTHE en doorsneden door de MIDDENWEG. Aan de westelijke zijde loopt de VOORSTRAAT, die bij de bruising over de Leemtocht DAM heet. Langs de wal van de Leemtocht loopt de WALSTRAAT.

De FINSESTRAAT heet naar de woningen in Finse bouwstijl die er aan zijn gebouwd.

Bij de uitbreiding in 1964 wilde men tot uitdrukking brengen dat Kraggenburg te midden van een fruitteeltgebied ligt. De mogelijkheden voor het vemoemen van fruitsoorten werden overwogen. Daarbij vielen de perensoorten als ongeschikt af. Voor de appelsoorten gold blijkbaar hetzelfde, want van de voorgestelde soorten Golden Delicious, Cox Orange, Jonathan, Goudreinet en Winston bracht alleen de laatste soort het tot een eigen straat, de WINSTONSTRAAT.
De eerste uitgifte van boerderijen in de Noordoostpolder vond rondKraggenburg plaats. De toenmalige pachters behoren dus tot de eerste pioniers.
Een deel van hen is inmiddels verhuisd naar de Kraggenburger bejaardenwoningen, die in 1973 aan de PIONIERSSTRAAT zijn gebouwd.
Jacob Bruintjes, die volgens de overlevering de naam Kraggenburg bedacht heeft, is op zijn beurt weer vemoemd in de JACOB BRUINTJESSTRAAT.
Casper Kombrink was van 1902 tot 1911 lichtwachter van Kraggenburg. Naar hem is de CASPER KOMBRINKSTRAAT genoemd. De A.J. RENNENSTRAAT heet naar Anton Rennen, die als voorzitter van de Dorpsvereniging veel voor de ontwikkeling van Kraggenburg heeft betekend. Ook Gen-it Klok, naar wie de GERRIT KLOKSTRAAT is genoemd, was een bekend figuur uit de beginjaren van Kraggenburg. Hij was fietsenmaker, maar ook vele jaren beheerder van het Parochiehuis.
De noordwestelijke uitbreiding van Kraggenburg draagt de geologische namen MORENELAAN, STUWWAL en HET KLIF. Morene is de benaming voor de afzettingen die in de derde ijstijd vanuit Scandinavie hier naar toe gebracht zijn.
Deze afzettingen bestaan voomamelijk uit keileem. Grote keileemwallen, zogenaamde eindmorenen, zijn in dit gebied de Voorst en Urk. De morene van de Voorst, een klif dat bij Vollenhove uit zee oprees, liep onder water door tot waar nu het Voorsterbos ligt. Ook in Kraggenburg komt keileem aan de oppervlakte.
Dit gebied werd vroeger door de vissers de Stiente, ‘het gesteente’, genoemd. Dikwijls haalden ze hier stenen op in hun netten, waardoor deze soms scheurden. De weg langs het industrieterrein is in verband hiermee GESTEENTE genoemd. Het terrein van Staatsbosbeheer aan de Kraggenburgerweg heeft de naam in streektaalvorm, De Stiente. De naam van de straat die in 1993 op het
industrieterrein werd aangelegd, BASALT, sluit aan bij deze steennamen. In de LEEMVAART en de LEEMTOCHT is het andere bestanddeel van keileem vernoemd. De LEEMKADE ontleent hieraan eveneens haar naam. Leem zit ook in de naam LEEMRINGWEG, het gedeelte van de ringweg tussen

Oosterringweg en Zuideningweg.

De wegen op het westelijke industrieterrein hebben namen die met de fruitteelt samenhangen. De weg die uitkomt op de Zuideningweg en aan het andere einde overgaat in het fiets- en wandelpad naar het Voorsterbos, heet KOELHUISWEG. Haaks daarop, in westelijke richting, loopt sinds 2000 de BLOESEMWEG.

De HERTENWEG, de MAMMOUTHWEG, de NEUSHOORNWEG, de PAARDENWEG, het HERTENPAD, de HERTENTOCHT, de NEUSHOORNTOCHT en de PAARDENTOCHT heten naar de zoogdieren waarvan op deze plaatsen overblijfselen werden gevonden. Het Hertenpad kwam evenals het Zwartemeerpad op het oorspronkelijke plan van de Noordoostpolder niet voor.
De komst van groente- en fruitteeltbedrijven en bloemkwekerijen, die met hun kleinere kavels een dichter wegennet noodzakelijk maakten, voegde de nieuwe paden aan het bestaande patroon toe. Elders in de polder zijn om dezelfde reden naderhand de Enserweg, de Blokzijlerdwarsweg, de Steenwijkerdwarsweg, de Baarlose Dwarsweg en de Bloemenweg aangelegd.

ZWARTEMEERWEG, ZWARTEMEERPAD, ZWARTEMEERTOCHT en ZWARTEMEERDIJK zijn genoemd naar het ZWARTE MEER, dat op zijn beurt weer genoemd is naar het Zwarte Water, bovenloop van de Overijsselse Vecht en uitmondend in het Zwarte Meer. Ook de ZWARTE HOEK in de Zwartemeerdijk heet naar het Zwarte Meer, al is de aanduiding meer in deze naam weggelaten.

Het Zwarte Meer, met daarin het (kadastraal omstreden) Vogeleiland, is een van de vooraanstaande vogelreservaten in de wat dit betreft toch al niet misdeelde regio. Met name de grote aantallen wilde zwanen zijn karakteristiek voor dit gebied, vandaar dan ook de naam ZWANENDIEP voor de vaargeul tussen Kadoelersluis en Ramsdiep.

KADOELERWEG, KADOELERMEER, KADOELERSLUIS en KADOELERTOCHT zijn genoemd naar Kadoelen, dat aan de overkant op het oude land ligt. Kadoelen komt van Quadolen, ‘kwaad dolen’. Kwacid betekent ‘slecht, verkeerd’, dolen kan een ‘doolweg’ (dwaalweg) zijn, maar waarschijnlijker is de betekenis ‘water, grenswater’.

Ten noorden van Rraggenburg ligt het VOORSTERBOS, genoemd naar de Voorst, het klif dat vroeger ten zuiden van Vollenhove in zee stak. Voorst komt
van het Middclnederlandse foreest en betekent ‘bos’ (vergelijk het Engelse forest, het Franse foret en in het Nederlands Vorst Nationaal te Brussel).
Voorsterbos betekent dus niets anders dan ‘bos van het bos’.

Ook de VOORSTERSLUIS, die het peilverschil tussen het oude en het nieuwe land overbrugt, is genoemd naar de Voorst.

De voorgeschiedenis van Ens begint bij Ramspol. Op 10 november 1941 was het barakkenkamp Ramspol gereedgekomen. In de zomer van 1943 kwamen de eerste bewoners in dorp C.
Er was toen nog geen weg naar Ramspol. Bij droog weer kon men enigszins fietsen bij minder gunstig weer moest men lopen. Kamp Ens kwam enige tijd later.
Vervolgens kwam het stenen kamp Ens II. De eerste ondernemers vestigden zich toen in Ens. ( loonbedrijf van de Veeken, en Oomen, de smid Liewes).
In 1946 werd de eerste stenen woning gebouwd.

De naam Ens
De naam Ens bestaat al meer dan 1200 jaar. Sinds 793 na Christus is er steeds een dorp met de naam Ens geweest. Het was bijvoorbeeld de benaming voor de zuidelijke punt van het voormalig eiland Schokland. In latere jaren werd de Molen- of Middelbuurt op Schokland ook Ens .
Vandaar dat er diverse straten in het dorp naar belangrijke personen uit die tijd vernoemd zijn. Enkele voorbeelden: Petrus Aemilius (predikant in 1598), E.P. Seidel (burgemeester van 1806 tot 1811), G.J. Gillot (idem), Doorenweerd (van 1767 tot 1832 pastoor), Anthony Colijn (lichtwachter).

Over de oorsprong van de naam Ens is onderstaande bekend:

Het ontstaan van naam Ens
In het ethymologisch woordenboek, staat achter de naam ‘Enedseae’ de beschrijving van het woord ‘eend’.
Enedseae betekend eendenzee, afgeleid van het Germaanse anud-saiwa (eend-zee), en is de vroegst bekende naam van het voormalige eiland Ens. Het latere Schokland dat nu verdroogd in de Noordoostpolder ligt. Een oorkonde uit 793 maakt er voor het eerst melding van. Een uit 1150 daterend register noemt het ‘Endesle’. Tenslotte komt in 1302 ‘Enesce’ en in 1324 ‘Enze’ voor.

Op een oorkonde uit 793 wordt de naam Enedseae reeds genoemd.
Door geologisch onderzoek kon een reconstructie gemaakt worden van het IJsselmeer rond 800, dat toen veranderde van zoetwater veenmeer tot brakwaterlagune. Door een toenemende invloed van de Noordzee werden zeegaten en geulen groter. Steeds meer veengronden rond het veenmeer werden weggeslagen.
Een centraal gelegen groot eiland, waar Schokland en Urk later van resteerden, was zuidoostelijk door een veenrug met het hoge land verbonden. Die verbinding werd doorsneden door de oude loop van IJssel ten zuiden van het huidige Schokland. Bewoning schijnt er toen niet geweest te zijn want alle archeologische vondsten uit de Noordoostpolder dateren van vóór de 4e of na de 8e eeuw.

Terug naar de oorkonde. In de latijnse tekst wordt geen melding gemaakt van een eiland of plaats maar wel van een grens, ‘Land dat zich uitstrekte van Berilsi tot onder de grens met Enedseae’. Die grens was waarschijnlijk de oude IJsselloop, dat wat er boven lag was Enedseae. ‘Berilsi’ is de naam van een verdronken nederzetting die men lokaliseert in het ‘Seaeuuald’ of ‘Suifterbant’, een zompig bos gelegen tussen Enedseae en ‘Thornspiick’, het latere Elburg.
Urk, de op het eiland gelegen hoge keileembult, werd pas later (966) een zelfstandig eiland, vernoemd naar z’n kenmerk de ‘Ork’. Een naam waarin men een duistere prehistorische betekenis vermoed. Het bij het hoge land gelegen deel bleef Enedseae of Ens heten. Na 1000 werden beide eilanden steeds kleiner door voortdurende landverliezen aan een verziltende zee.

Enedseae kan dus in de 8e eeuw en mogelijk ook daarvoor, de naam van het grote eiland in het veenmeer zijn geweest. De letterlijke betekenis van Enedseae en de aannemelijkheid van veel eenden in een veenmeer, doet vermoeden dat het eiland vernoemd is naar het water waar het in lag. De Germaanse oorsprong van de naam wijst op gebruik door ongeletterde Friezen die toen het kustgebied bevolkten.
Waarheid, fantasie of geschiedsvervalsing, gesteld kan worden dat Enedseae, de lokale naam was van het grote eiland gelegen in de oer-binnenzee van Nederland. Een eiland vernoemd naar haar omringende water. Land noem je niet zomaar zee.

Oorsprong:

Ens is  genoemd naar de zuidelijke helft van het eiland Schokland, door een sloot en een dijkje van Emmeloord gescheiden.

Op Ens bevonden zich twee woonbuurtjes, de Middel- of Molenbuurt en de Zuiderbuurt, ook wel Zuidert genoemd.
De Middelbuurt was daarvan de belangrijkste; een enkele maal wordt Ens dan ook daaraan gelijkgesteld.

Voor het eerst komen we de naam met zekerheid tegen in 1302, als ene Jacobus van Enesce burger van Kampen wordt.
Wellicht komt de naam reeds eerder voor.
In een stuk uit 793 verschijnt de naam Enedsea, tezamen met een bos dat Seciewald heet en dat in de Suiftarbant zou liggen (beide namen zijn in Flevolandse namen teruggekeerd). Enedsea zou dan van het germaanse cinudsaiwi (‘eend-zee’) kunnen komen.

Naar Ens genoemd zijn de ENSERWEG, de ENSERVAART, de ENSERTOCHT en de ENSERDWARSTOCHT.

Niet alleen de naam van het dorp, maar ook veel straten in Ens herinneren aan Schokland: de ZOUDENBALCHSTRAAT, de PETRUS AEMILIUSSTRAAT, de STALLIJNSTRAAT, de ARNOLDUS VAN BOCKHOLTSTRAAT, de DORENWEERDSTRAAT, de TER SCHOUWSTRAAT, de ANTHONY COOLIJNSTRAAT, de E.P. SEIDELSTRAAT, de G J. GILLOTSTRAAT en ZUIDERT.

In 1475 doet Alyt Vreyse van Steenwijk, weduwe van de ‘heere van Oerck en Emmeloerde’ haar leengoederen over aan Evert Zoudenbalch, proost te Maastricht en later kanunnik aan de Utrechtse Dom. Vanaf die tijd zullen de Zoudenbalchs, een geslacht van Utrechtse patriciers, meer dan een eeuw heer van het eiland zijn.
Petrus Aemilius werd in 1598 te Emmeloord, kort nadat daar de Reformatie haar intrede deed, als predikant beroepen. Twintig jaar later was Emmeloord overigens al weer katholiek. De Staten van Overijssel klagen dat de mis, die in het Hollandse Emmeloord gehouden werd – en ook, wat thans moeilijk voor te stellen is, te Urk – een nadelige invloed heeft op de Gereformeerde Kerk in het aangrenzende gewest. Emmeloord krijgt, nadat de Staten van Overijssel het altaar in de kerk hebben doen afbreken en ‘den pape’ vertrekken, weer predikanten, waarvan de kosten met Ens gedeeld worden. Franciscus Stallijn was van 1649 tot 1650 een hunner.
Vanaf het midden van de achttiende eeuw zijn de scherpe kantjes er wat af en in 1762 (tot 1766) is Arnoldus van Boekholt de eerste pastoor op Emmeloord.
Bartholomeus van Dorenweerd, van 1796 tot 1808 pastoor van Emmeloord, heeft zich verdienstelijk gemaakt door het doopboek bijzonder uitvoerig bij te houden, waardoor hij aan de kennis van de Schokker geschiedenis veel heeft bijgedragen. Zijn kruistocht gold het bijgeloof, dat op Emmeloord welig tierde.
Herman Frederic Johannes ter Schouw kwam op 31 maart 1856 naar Schokland. Hij was er de laatste pastoor; in 1859 vertrok hij naar Hellendoom.
Anthony Coolyn was van 1688 tot 1706 koster en schoolmeester. Kennelijk leverde deze dubbele betrekking toch niet zoveel op, want hij verzoekt het eilandbestuur hem als vuurmaker op de vuurtoren te benoemen, opdat ‘hij met sijn vrouw en vier kinderen mochte komen te bestaan’.
Eberhard Philip Seidel, Duitser van geboorte, werd in 1793 schout over Schokland, na eerst opzichter over paal- en dijkwerken te zijn geweest. In 1795 wordt hij ontslagen omdat hij in de Bataafse republiek weigert de eed van trouw aan stadhouder Willem V te breken. De chaos die dan op het eiland ontstaat dwingt het gezag hem weer in zijn functie te herstellen – een functie die hij houdt tot in 1804 zijn zoon Lucas hem opvolgt.
Gerrit Jan Gillot was vanaf 1832 burgemeester; hij was tevens de laatste. Toen hij op 10 juli 1859 zijn ambt neerlegde, hield Schokland op zelfstandige gemeente te zijn en werd het een deel van Kampen.

Het zal de lezer niet ontgaan zijn, dat ten aanzien van de voomamen in de straatnamen een consequente gedragslijn ontbreekt: de ene keer wordt de voornaam voluit geschreven, een andere keer staan er slechts voorletters en dan weer blijft alles achterwege. De oorzaak moet gezocht worden in de protesten die er destijds bij de bevolking rezen.
De straatnamen waarin de voornaam voluit geschreven wordt, zijn het oudst. De Ensenaren, verenigd in ‘Dorpsbelang’, waren met die namen weinig ingenomen: te lang, moeilijk te schrijven, lastig uit te spreken. Er was weliswaarwaardering voor het historisch onderzoek dat aan die namen vooraf was gegaan, maar van een vooruitstrevende directie (i.e. het Openbaar Lichaam)
had men toch iets anders verwacht. Zouden de namen misschien door iets korters vervangen kunnen worden?
De landdrost had hier weinig oren naar. Hij zag de waarde van de historische namen wel degelijk in en voegde er zelfs de namen van Dorenweerd en Stallijn aan toe. In zoverre wordt met de bezwaren van de Ensenaren rekening gehouden, dat de voornaam of voorletter(s) voortaan achterwege blijft.

De overige straatnamen uit de begintijd van Ens zijn minder origineel.
Langs de Enservaart ligt de WATERKANT. Haaks op de Waterkant loopt de hoofdstraat van Ens, de BAAN. Baan als aanduiding voor een aangelegde weg is in Nederland enigszins verouderd, maar in Vlaanderen nog springlevend.
Het lijkt er overigens op dat het woord aan een tweede leven begonnen is als aanduiding voor dat deel van een auto(snel)weg dat binnen de bebouwde kom loopt: Utrechtsebaan (Den Haag), Ccitharijnebaan (Utrecht). Van zo’n baan is in Ens (nog) geen sprake.

Aan de oostzijde van het dorp eindigt de Baan in het OOSTEREIND. De namen SPORTWEG, KERKSTRAAT, KERKPLEIN en SCHOOLSTRAAT spreken voor zich. Ook de namen BOSRAND en KRUISSTRAAT (kruist de Anthony Coolijnstraat) laten aan duidelijkheid weinig te wensen over.
De straten KAMPSTRAAT, RANDSTRAAT en HET NOORD kregen hun naam in 1974. De naam Kampstraat bestaat overigens al vanaf 1949, maar de straat die toen zo zou heten heeft het nooit verder gebracht dan het bestemmingsplan. Uit 1974 dateren ook de namen TUINRAND, DE BONGERD, DE WINGERD en DE SINGEL, afkomstig uit het naastgelegen tuinbouwgebied.
Bij de noordelijke uitbreiding van Ens werd de E.P. Seidelstraat doorgetrokken. De oostelijke vertakking heet UITLOOP, in het noorden is er een lange, rond-
lopende straat, de NOORDERBOCHT, waarbinnen het BINNENHOF ligt. De ZEEBODEMSTRAAT is de westelijke zij straat van de Noorderbocht. Bij Ens wordt de reiziger welkom geheten op de zeebodem. In 1996 is de E.R Seidelstraat andermaal verlengd, evenals de Uitloop, om aan te sluiten op drie nieuwe straten die hun namen ontlenen aan de vuurtoren van Schokland:
LICHTWACHTER, MISTHOORN en VUURPLAAT.

De straten Waterkant en Het Noord worden doorgetrokken om een verbinding te krijgen met drie nieuwe straten op het bedrijventerrein: BUITENVELD, MIDDENVELD en NOORDERVELD. De scheiding tussen Waterkant en Buitenveld en tussen Het Noord en Noorderveld wordt gevormd door de Enserdwarstocht. Overigens heeft tot 1997 ook een weggedeelte ten zuiden van de Enserdwarstocht Buitenveld geheten: het oost-west lopende stukje van wat nu Waterkant is.

Langs Ens loopt de KAMPERWEG, die naar Kampen leidt. Parallel daaraan loopt de DRIETORENSWEG. In zekere zin gaf Kampen ook hieraan een naam: vanaf deze weg zijn (of waren) drie torens van Kampen te zien.
De ZWIJNSWEG is, evenals de ZWIJNSTOCHT, genoemd naar de zoogdieren waarvan tijdens de droogmaking hier beenderen werden gevonden.
De ZUIDERRINGWEG is het zuidoostelijke gedeelte van de ringweg door de polder.
Aan de andere kant van de Kamperweg, ten zuiden van de Schokkerringweg, zijn twee zijwegen, de KAMPERZANDWEG en de RAMSWEG. De eerste heet naar het Kamperzand, vroeger een ondiepte ten oosten van Schokland. Ramsweg, RAMSDIJK, RAMSDIEP, RAMSGEUL, RAMSTOCHT en RAMSPOLBRUG zijn alle genoemd naar het vroegere eiland Ramspol, dat aan de overzijde ligt. Een pol is een heuveltje of een hoger gelegen weiland. Ram hoeft niet te betekenen dat het weiland voor schapen gebruikt werd: het kan ook teruggaan op germaans hravan, ‘raaf’. Ramsdijk is de naam voor de zuidelijke polderdijk vanaf Schokkerhaven, dat deel dus waarlangs de Ramsweg loopt.
Aan de andere kant van de dijk ligt het Ramsdiep, de vaargeul door het Zwarte Meer en het Ketelmeer. Naast het Ramsdiep ligt ter hoogte van de Ramspolbrug de Ramsgeul. Voor de afwijkende benaming is gekozen omdat de Ramsgeul in
tegenstelling tot het Ramsdiep niet de scheepvaart maar de afwatering bedient. De Kamperzandweg en de Ramsweg eindigen in de REDEWEG, die evenals de REDETOCHT herinnert aan de rede van Schokland, ten westen van de Rede weg.

Website Ens : link

Het dorp Creil was in de middeleeuwen, volgens een niet al te betrouwbare bron, een gehuchtje dat lag aan de rand van de Zuiderzee.

Het is in deze tijd ook ten onder gegaan. Er zou een bos, het Kreilerbos, zijn geweest. Dit Kreilerbos was waarschijnlijk niet een bos met hoge bomen maar een met struiken begroeid moeras.

De naam Creil en de naamgeving van de straten vindt zijn oorsprong in de tijd dat de Nederlanden onder Frankisch bestuur stonden.

Het Kreilerbos was indertijd eigendom van het adellijke Friese geslacht Galama.
Vooral Galo Iges Galama placht er rond het begin van de twaalfde eeuw regelmatig te jagen en dat zinde de Hollandse Graaf Floris II niet, die van mening was dat het bos aan Westfriesland toebehoorde en dus aan hem.

Had Galama gelijk?
Als het Kreilerbos aan Friesland toebehoorde, dan hadden de graven van Holland daar inderdaad weinig te zeggen, want Friesland behoorde niet aan de bisschop van Utrecht.

De strijdende partijen besloten het geschil aan de Hertog van Brabant voor te leggen.
Deze overleed echter korte tijd later zonder tot een oordeel te zijn gekomen.
Ook Graaf Floris II overleed aan de verwondingen die hij had opgelopen tijdens de tweekamp met Galama.
Na de dood van Graaf Floris schonk de Duitse Keizer Lotharius het gebied aan Holland.

Graaf Floris II nam tijdens een jacht van Galama’s dienaren in het Kreilerbos, hun jachtbuit en drie jachthonden in beslag.
Galama bezwoer wraak en er volgde een tweekamp tussen Graaf Floris en Galama.
Bovenstaande geschiedenis verklaart de namen, Galamalaan, Graaf Florislaan, Jachthondenstraat, Bisschopstraat, Hertogstraat, Lothariusstraat, Friesestraat, Hollandsestraat, Utrechtsestraat en Brabantsestraat.
De Iglo Tademastraat is vernoemd naar Iglo Tadema die een boerderij bezat in het Kreilerbos. Op 12 juli 808 liet hij een put graven op zijn erf, maar hoe diep men ook groef er kwam geen water.
Toen Tadema op de avond van de zestiende juli naar de nog altijd droge put liep, hoorde hij daaruit een vreselijke stem roepen:”Vlucht hier vandaan, vlucht hier vandaan!”
Toen hij in de put keek zag hij dat er water de put in stroomde. Dit water bleek echter zout water te zijn:
een voorspelling dat dit land nog eens zee zou worden.
Iglo Tadema stierf drie weken na dit voorval en werd in Staveren begraven.
Het Kreilerbos kreeg hierdoor de bijnaam het Woud van Ongenade. Hieraan dankt de Weg van Ongenade zijn naam.
De naam: Creil

CREIL is genoemd naar de Kreil, volgens een bron van 1398 een ondiepte ten zuidwesten van Stavoren. Volgens een oudere, maar niet erg betrouwbare bron zou daar in de twaalfde eeuw nog een bos geweest zijn. Waarschijnlijk was dit niet een bos met hoge bomen, maar een met struikgewas begroeid moeras.
In het Fries komt het woord kreil(en) voor, met twee betekenissen: een die uit gaat van de vegetatie (‘wild opgeschoten struik- of boomgewas, vooral op lage waterachtige landen’) en een die uitgaat van de groeibodem (‘laag en drassig land met wild struikgewas begroeid’)- Beide betekenissen kunnen worden samengevat met ‘drassig vegetatiedek’.
Volgens Heeroma heeft kreil- zich uit krag-il ontwikkeld; hij ziet dan ook alle reden om te spreken van een taalkundige verwantschap, naast een geografische, tussen Creil en Kraggenburg1).
Zo’n verwantschap is er ook met Kreileroord, in de Wieringermeer, dat naast de status van polderdorp ook de afkomst van zijn naam met Creil gemeen heeft.
Creil heeft iets oudere rechten, en daarom moest voor Kreileroord, waarvan de bouw pas in 1957 aanving, een ‘afgeleide’ naam komen. Volkomen identiek aan die oude naam Kreil is de naam van het Noord-Hollandse plaatsje De Kreil, bij Barsingerhorn, maar de betekenis is hier verschoven naar ‘(vaar)water’.
Plaatsnamen met kreil in Oost- en Zuid-Nederland en de naam Crciilo in het Gooi betekenen ‘kraaienbos’ en zijn dus niet verwant aan Creil.
In de schrijfwijze wijkt Creil van alle andere kreil-nstmen af. De c aan het begin is eigenlijk een beetje nep: men heeft de historische herkomst van de naam ermee willen accentueren, maar in het verleden werd de naam consequent met een k gespeld. De Middelnederlands-aandoende spelling met c dateert uit de twintigste eeuw.

Straten en wegen.

Naar Creil genoemd zijn het CREILERPAD, de CREILERVAART, de CREILERTOCHT en de CREILERDWARSTOCHT.
Het Kreilerbos was indertijd eigendom van het adellijke geslacht Galama.
Vooral Galo Iges Galama placht er rond het begin van de twaalfde eeuw regelmatig te jagen en dat zinde de Hollandse graaf Floris II, die van mening was dat het bos aan Westfriesland toebehoorde en dus aan hem en niet aan Galama, allerminst. Op een zekere dag confisqueerde hij dan ook tijdens de jacht van Galama’s dienaren de hele jachtbuit benevens drie jachthonden. Toen Galo Iges
dat hoorde zwoer hij dure wraak. Graaf Floris trok zich van het dreigement weinig aan en ging gewoon door met jagen. Met een aantal vrienden trok Galama toen naar het Kreilerbos, trof daar graaf Floris en eiste van hem een volledige schadevergoeding. Graaf Floris, in de vaste overtuiging verkerende dat Galama hem ondergeschikt was, had een dergelijke toon niet verwacht en zei dat ook, maar Galama antwoordde dat hij een vrije Fries was en dat het hem vrij stond zijn goed tegen de Hollanders te verdedigen. Vervolgens trok hij zijn zwaard, dat door de graaf maar half ontweken kon worden; het zwaard trof zijn rechterarm. Twee van Floris’ dienaren lieten het leven.
Had Galama gelijk? AIs het Kreilerbos aan Friesland toebehoorde, dan hadden de graven van Holland daar inderdaad weinig te zeggen, want Friesland behoorde niet aan hen maar aan de bisschop van Utrecht.
In ieder geval was het geschil met het duel niet uit de wereld; de strijdende partijen besloten het aan de hertog van Brabant voor te leggen. De hertog overleed evenwel korte tijd later, zonder de zaak tot een einde te kunnen brengen. Ook Graaf Floris heeft de tweekamp niet lang overleefd; mogelijk is door de verwonding aan zijn rechterarm koudvuur ingetreden.
Na de dood van Graaf Floris schonk de Duitse keizer Lotharius het gebied aan Holland.
De bovenstaande geschiedenis verklaart de namen GALAMALAAN, GRAAF FLORISLAAN, JACHTHONDENSTRAAT, BISSCHOPSTRAAT, HERTOGSTRAAT, LOTHARIUSSTRAAT, FRIESESTRAAT, HOLLANDSESTRAAT, UTRECHTSESTRAAT en BRABANTSESTRAAT. Later zijn daar nog DE MEUTE en de TOERNOOILAAN aan toegevoegd. Deze laatste naam doet op het eerste gezicht wat vreemd aan, omdat het tweegevecht moeilijk als een ‘toemooi’ kan worden aangemerkt. Het is dan ook meer de overweging geweest, dat de straat in kwestie naar de sportvelden loopt, die in 1975 voor
deze naam heeft doen kiezen.

Oorspronkelijk heette De Meute ook Jachthondenstraat, maar door de bouw van bejaardenwoningen in 1976 moest voor dit gedeelte een nieuwe naam gekozen worden. De nieuwe naam sluit fraai aan op de oude, en wat minder direct dan de naam Jachthondenlacin, die de Dorpsvereniging oorspronkelijk in gedachten had.
Een zekere Iglo Tadema had een boerderij aan de noordzijde van het Kreilerbos. Op 12 juli 808 liet hij een put graven op zijn erf, maar hoe diep men ook groef, de put bleef zonder water.
Toen Tadema op de avond van de zestiende juli naar de nog altijd droge put liep, hoorde hij daaruit een vreselijke stem roepen: ‘ Vlucht hier vandaan, vlucht hier vandaan!’ Hij schrok, maar bleef staan en zag dat er water de put in stroomde. Dit water bleek, eenmaal opgehaald, zout te zijn: een voorspelling dat al dit land nog eens zee zou worden.
Iglo Tadema stierf drie weken na dit voorval en werd te Stavoren begraven. De IGLO TADEMASTRAAT dankt haar naam aan deze bewoner van het
Kreilerbos. Overigens was de naam oorspronkelijk gereserveerd voor de kade aan de Creilervaart. Deze straat werd evenwel door de bewoners steeds met ‘de loswal’ aangeduid, zodat de naam van Iglo Tadema in 1971 aan de nieuwe straat in het noorden gegeven kon worden. De loswal kreeg de naam BURGWAL. Daarmee bleef men in middeleeuwse sferen: een ‘burgwal’ is de wal om een burcht. Pas later werd het in sommige steden (waaronder Kampen) de naam van een stadsgracht of van de straat daarlangs.
De naam FLEVOLAAN verwijst niet naar een middeleeuwse, maar naar een meer recente gebeurtenis: de totstandkoming van de provincie Flevoland in 1986, het jaar waarin de Flevolaan werd aangelegd. De KIEKENDIEFSTRAAT, in het verlengde van de Flevolaan, ontleent haar naam aan de roofvogel die het logo van Flevoland geworden is. De BUIZERDSTRAAT is eveneens naar een roofvogel genoemd. Met de twee roofvogelnamen was Creil Tollebeek, waar men een hele roofvogelbuurt gepland had, te snel af: de Tollebeekse straat die nu Wespendief heet, zou oorspronkelijk Buizerd heten.
Met de naam KONING RADBOUDLAAN voor de straat ten zuiden van de Buizerdstraat keert Creil in 1995 weer terug naar de (vroege) Middeleeuwen.
Radboud (ca. 650-719) was koning der Friezen. Toen hij op het punt stond zich te laten dopen, informeerde hij nog even bij priester Wulfram waar zijn ongedoopte voorouders nu verbleven. Na diens antwoord: in de hel, realiseerde Radboud zich, dat hij als gedoopte ze na zijn dood niet terug zou zien. Op het laatste moment zag hij daarom maar af van de doop.

Na de gruwelijke gebeurtenis van Iglo Tadema zal het niemand verbazen dat het Kreilerbos ook wel het Woud van Ongenade werd genoemd. Aan deze bijnaam dankt de WEG VAN ONGENADE zijn naam. Aanvankelijk had de Wieringermeerdirectie, afdeling Noordoostpolder, die met de uitgifte van de boerderijen belast was, wel bezwaren: pachters zouden, bevreesd voor de vloek die op de oogst kon gaan rusten, zich niet op zo’n onheilspellend adres willen vestigen.

De KLUTENWEG is, evenals het KLUTENPAD, de KLUTENTOCHT en de KLUTENDWARSTOCHT genoemd naar de kluten die in de beginperiode hier veel voorkwamen.
Het VUURPAD leidt naar een hoek in de IJsselmeerdijk waar een vuurtoren staat. Het Vuurpad is, evenals de VUURTOCHT, naar die vuurtoren genoemd.
De hoek heet ROTTERDAMSE HOEK; op deze plaats is veel puin uit het door het bombardement verwoeste Rotterdam gestort.
In tegenstelling tot de meeste namen in de polder is deze niet van hogerhand afkomstig, maar door de polderwerkers bedacht en pas na verloop van tijd officieel geworden. Vanaf de Noordermeerweg loopt het NOORDERMEERPAD naar de Noordermeerdijk.
De naam ZUIDERMEERPAD voor het weggetje dat naar de Rotterdamse Hoek leidt is alleen verklaarbaar naast dat Noordermeerpad; het is immers de verbinding tussen Westermeerweg en Westermeerdijk

bron: Harrie Scholtmeijer. Namen in de Noordoostpolder

Website Creil: link

De naam Bant is afgeleid van de landerijen van Bant of Bantega, die ooit gelegen waren in de huidige gemeente Lemsterland en die zich uitstrekten tot in het gebied wat nu de Noordoostpolder is.

Het kamp Westvaart is na de oorlog nog een NSB-kamp geweest.
Het kamp was voorzien van wachttorens en bewakers met karabijnen.
Er hebben diverse prominente NSB’ers gevangengezeten.
Hr. Gunnink, een voormalig hoofd van de Meppeler ondergrondse, was er toen kampcommandant.
Op enig moment is in dit kamp een proef opgezet die inhield dat de gevangenen een contract ondertekenden waarin ze verklaarden niet te zullen vluchten in ruil voor volledige vrijheid binnen het kamp.
Ieder heeft toen getekend en er is ook nooit iemand gevlucht. later is deze proef opgeheven maar omdat ieder zich aan de afspraak had gehouden kreeg iedereen zijn vrijheid, en mocht naar huis, alleen de resterende tijd die men nog moest uitzitten, moest men als gewoon arbeider uitdienen.

In 1998 werd een groot gedeelte van de film Abeltje in het dorp opgenomen.
Zo was de voormalige hervormde kerk decor voor het warenhuis. Het kerkgebouw is inmiddels verkocht aan een particulier.

In juni 2011 vierde Bant zijn zestigjarige bestaan.
Hoewel Bant maar een klein dorp is beschikt het over de nodige voorzieningen.
Zo is er de multifunctionele accommodatie Bantsiliek, dat in 2009 mee deed in de finale van de verkiezing Mooiste kerk van Nederland van het NCRV radioprogramma Plaza.
Het gebouw kreeg de meeste stemmen maar tot winnaar werd uiteindelijk de Willibrordusbasiliek in Hulst uitgeroepen.

De naam: Bant

BANT is genoemd naar het vroegere Bantega of Bant in Lemsterland, waarvan de landerijen zich ver naar het zuiden, dus tot in het huidige poldergebied, uitstrekten. Na de oorlog is Bantega ook de naam geworden van een dorp op het oude land, iets ten noorden van de polder.
Bant zit ook in Suiftarbant, eertijds op de Veluwe, waamaar Swifterbant is genoemd, in Teisterbant in Gelderland en in Brabant. De betekenis is ‘streek’,
‘gebied’. Daarnaast is er een ander woord bant met de betekenis ‘bentgras’, gras dat op vochtige zandgrond voorkomt. In die betekenis komt het voor in de Banten, een streek bij Siddeburen en, dichter bij huis, in Vollenhove. In het dialect van Vollenhove komt bente als soortnaam voor weiland voor. Met bent of bente zijn een aantal Vollenhoofse namen gevormd. In Lemsterland verschijnt
Banterakkers als veldnaam.

Straten en wegen
Op grond van de naam Banterakkers in Lemsterland heeft men voor Bant straatnamen gekozen die met de akker samenhangen: NOORDAKKER, ZUIDAKKER, INSTEEK, KORTE OMGANG, LANGE OMGANG, NOORDWEND en ZUIDWEND. Een ‘wend’ is het eind van een akker, daar waar de boer de ploeg moet keren of wenden. Ook voor de meer recente uitbreiding werden namen uit de akkerbouw gekozen. De TWEESCHAAR, een straat die ook echt op de akker is gebouwd, herinnert aan de ploeg die hier zijn dubbele voren trok. De OOSTAKKER kreeg zijn naam in 1976. Drie jaar daarvoor had men nog de naam Dwarssteek laten vallen voor een naam die met de akkerbouw niets te maken heeft, DWARSSTRAAT. Net als de andere niet-akkernamen HET MIDDEN en BUITENOM geeft deze naam de ligging van de straat
ten opzichte van het dorpsplan aan. DE GEER had oorspronkelijk een ‘gerende’ (schuin toelopende) richting ten opzichte van de Lange Omgang.
Tot 1998 bestond De Geer uit twee gedeelten: de straat tussen Buitenom en Dwarsstraat, en het doodlopende zijstraatje van Het Midden. Aan dat laatste, doodlopende stukje van De Geer lag maar een woning, maar die bleek vaak onvindbaar: niemand vermoedde, dat ook dat straatje nog De Geer heette. Op verzoek van de bewoner werd het doodlopende De Geer gewijzigd in BOS-
HOEK, en en passant werd dit ook de naam voor het gedeelte van Het Midden waar de Boshoek op uitkomt. Na bijna een halve eeuw hadden deze straatdelen van Bant opgehouden De Geer respectievelijk Het Midden te zijn; voor de overige gedeelten bleven die straatnamen wel gehandhaafd.
De SPORTSINGEL loopt langs de sportvelden.

In 1987 kreeg de nieuwe weg op het industrieterrein langs de Oosterringweg de naam BANTERKADE. De verbinding tussen Banterkade en Oosterringweg werd vijf jaar later HET RISTER genoemd, een naam die weer duidelijk in de rij van Banter akkemamen past. Een ‘lister’ is het strijkbord van een ploeg, dat de aarde omkeert en in de voor weipt.
Ook de noordoostelijke uitbreiding van Bant kreeg in de jaren negentig namen die ontleend zijn aan werktuigen waarmee de akker bewerkt wordt: VOREN-PAKKER (‘werktuig dat de gekeerde ploegsneden aandrukt’), KOOIWIEL (‘kooiachtige constructie om de wielen van een tractor, om al te diep wegzakken te voorkomen’) en DE MARKEUR (‘grote hark die over het veld getrokken wordt en waarvan de tanden de afstand van de rijen aangeven waar gepootof geplant moet worden’). De verbinding tussen deze wijk en Tweeschaar krijgt bij die gelegenheid ook de naam Tweeschaar.

De BANTERWEG is ouder dan Bant, en dus ook niet daarnaar, maar naar het Lemsterlandse Bant genoemd. Bant, en ook Creil, Tollebeek en Kraggenburg
zijn pas in tweede instantie aan het plan voor de polder toegevoegd. Die toevoeging had onder meer consequenties voor de wegen rond Bant.
De oorspronkelijke naamgeving van de belangrijkste wegen en vaarten was bijzonder logisch van opzet. De drie hoofdvaarten heten naar de respectieve  bestemmingen van het scheepvaartverkeer Lemster-, Urker- en Zwolse Vaart.
Naast deze vaarten liggen wegen die dezelfde namen droegen: Lemstenveg, Urkerweg en Zwolsche Weg – de laatste werd trouwens al snel omgedoopt in Vollenhoverweg. De namen van de wegen aan de overzijde van de vaarten ontbrak het al evenmin aan logica. De weg die naar Friesland leidde werd genoemd naar de Fries ir. A. Buma, oprichter en eerste voorzitter van de Zuiderzeevereniging, de weg die naar het westen gaat kreeg de naam van de Amsterdammer mr. G. Vissering, voorzitter van de Zuiderzeevereniging en ondervoorzitter van de Zuiderzeeraad, en de weg naar het oosten werd genoemd naar het Drentse Tweede-Kamerlid mr. H. Smeenge, onvermoeibaar propagandist voor de inpoldering. Dit toonbeeld van overzichtelijkheid heeft het niet lang volgehouden. De Visseringweg werd Karel Doormanweg, de Smeengeweg en de Bumaweg verloren hun naam bij de aanleg van Kraggenburg respectievelijk Bant. De Smeengeweg ging Leemringweg/Kraggenburgerweg heten, de Bumaweg werd
van Emmeloord tot Bant Banterweg en van Bant tot Lemmer Lemstenveg. Dat had weer tot gevolg dat de oude Lemsterweg een nieuwe naam moest krijgen,
en daarvoor koos men Friese Weg (inmiddels Rijksweg 50). Van de oorspronkelijke systematiek is dan niets meer over.
De naam Banterweg komt niet helemaal uit de lucht vallen: dat was de naam voor de weg die nu Schoterpad heet. De namen van Vissering, Buma en Smeenge leven voort in die van de gemalen die zich aan het eind van de Urker-, Lemster- en Zwolse Vaart bevinden; vlakbij de wegen die ooit naar hen genoemd waren.

De OOSTERRINGWEG, het oostelijke gedeelte van de ringweg door de polder, gaat te Bant over in het noordelijke gedeelte, de NOORDERRINGWEG.
Parallel aan de Noorderringweg lopen de POLENWEG en de POLENTOCHT. Ze zijn genoemd naar Lipowski, Sloma, Brillowski en Pufelski, Poolse soldaten in Duitse krijgsdienst, die contact onderhielden met de illegaliteit. Deze was daardoor op de hoogte van Duitse plannen om de polderdijk op te blazen. De algemeen verbreide opvatting, dat de Polen een aandeel hadden in het voorkomen daarvan, is later weersproken SCHOTERWEG, SCHOTERPAD en SCHOTERTOCHT heten naar het achterliggende Schoterland. Naar het Wellerzand bij Kuinre zijn de WELLER-ZANDWEG en de WELLERZANDTOCHT genoemd.

De brug waarmee de Oosterringweg over de Lemstervaart wordt geleid, heette Banterbrug. Heette, want het is maar de vraag of de huidige oeververbinding ook recht heeft op een naam. In de  noordoostpolder hebben alleen de beweegbare bruggen een naam gekregen; de bruggen over de Emmeloorder gracht zijn een uitzondering, maar de namen daarvan zijn dan ook pas naderhand tot stand
gekomen. Bij de aanleg van Rijksweg 50 is de Banterbrug (en ook de Ruttense Brug) in het viaduct over die weg opgenomen. Zij verloor daarmee haar beweegbaarheid en daarmee dus eigenlijk het recht op haar naam. Weliswaar gebeurde dat nooit bij officieel besluit, maar het is niet aannemelijk dat deze brug, in status niet te onderscheiden van een brug over een tocht, in tegenstelling tot die tochtbruggen wel een naam zou hebben.
bron: Harrie Scholtmeijer. Namen in de Noordoostpolder 

Website Bant: link