Gemalen Noordoostpolder



Open dag gemaal Smeenge


Noordoostpolder ligt gemiddeld vijf meter onder zeeniveau.
Op verschillende manieren loopt deze ‘badkuip’ steeds vol.
Denk hierbij aan regen, kwelwater (water dat door de dijken de polder instroomt), maar ook water vanuit de bodem.

Om ervoor te zorgen dat de polder droog blijft heeft Noordoostpolder
3 gemalen en rond Tollebeek een paar ondergemalen.

Hoe het begon
De voorbereidingen voor de drooglegging startten in 1936. Op 13 december 1940 sloot het laatste gat in de dijken rond de Noordoostpolder. Daarna begon het wegpompen van het water. Als eerste gemaal kwam Buma, bij Lemmer, in bedrijf, een paar maanden later Smeenge. De bouw van gemaal Vissering verliep moeizaam en kwam pas in 1943 gereed. Dat was te laat om nog een bijdrage te leveren aan het droogmaken van de polder. Op 9 september 1942 werd de bodem bereikt, op 440 cm onder NAP.

Waterpeil
In sloten, vaarten en tochten mag niet teveel en ook niet te weinig water staan. Waterschap Zuiderzeeland heeft voor anders dan voor grasland. Waterschap Zuiderzeeland legt de ‘ideale’ waterpeilen vast in zogeheten peilbesluiten. Om het juiste peil te bereiken moeten gemalen meestal water wegpompen, maar soms moet er juist water binnen gelaten worden deelgebieden van de Noordoostpolder vastgesteld wat het ideale waterpeil is. Voor
natuurgebieden ligt dat anders dan voor bewoonde of voor agrarische gebieden. En voor agrarische grond die in gebruik is of voor akkerbouw ligt dat ideale peil weer

Water wegpompen
De vaarten, sloten en tochten van de Noordoostpolder beslaan maar 1% van het totale oppervlak van de polder. Als het regent, stijgt het waterpeil daardoor al vrij snel. De gemalen moeten over voldoende capaciteit beschikken om het overtollige water snel te kunnen wegpompen. Gemiddeld pompen
de gemalen van de Noordoostpolder ± 400 miljoen m3 water per jaar weg.

Water binnenlaten
Als het erg droog weer is, komt het wel eens voor dat er water de polder ingelaten wordt via bijvoorbeeld hevels. Als de waterstand namelijk te laag wordt, ontstaat schade aan bijvoorbeeld landbouwgewassen.

Verder liggen sommige delen van de Noordoostpolder (Ens, Schokland, Urk) hoger. Daar wordt vaker water aangevoerd, omdat deze gebieden anders te zeer verdrogen. De wateraanvoer wordt gedaan door hevels die uit het IJsselmeer, het Ketelmeer, het Zwartemeer en het Vollehoverkanaal voor  voldoende toevoer zorgen.


Twee afdelingen

Bij het ontwerpen van de hoofdafwatering is men uitgegaan van de regel dat het polderpeil tenminste 1,40 m beneden het maaiveld moet liggen. Hoewel aanvankelijk een drietal afdelingen met verschillende peilen zou worden gemaakt is tenslotte gekozen voor twee afdelingen, te weten de hoge of eerste afdeling met een peil van 4,50 m – N.A.P. en de lage of tweede afdeling met het peil van 5,70 m


Ondergemalen

Het gebied rond Tollebeek ligt echter zo laag, dat het normale waterpeil daar eigenlijk nog te hoog is.
Daarom wordt daar onderbemaling toegepast. Dat wil zeggen dat het peil daar nogmaals 0,50 m wordt verlaagd.

Ondergemaal Tollebeek


—-

2519796