Brabantse Langgevelboerderij 

is een rechthoekig boerderijtype waarbij voorhuis, stal en schuur aan elkaar zijn gebouwd en alle deuren geplaatst zijn in de lange gevels

 

 

 

Deze boerderijen werden gebouwd bij bedrijven die kleiner waren dan de standaardkavel van 24 hectare.
Ze kenmerken zich doordat de schuur en de boerderijwoning onder één kap zijn samengebracht.

De boerderijen kunnen in drie typen worden onderverdeeld:

  1. Akkerbouwbedrijven, de gebouwen zijn 10 meter breed en voorzien van een zadeldak. Sommige boerderijen hebben rechte topgevels, anderen wolfseinden. Ze vertonen verwantschap met de Brabantse langgevelboerderijen.
  2. Boerderijen met een schuur die bestaat uit een hoofdgebouw met een aangebouwde vleugel. Het gaat om (melk)veehouderijen. De woning bevindt zich voor in het hoofdgedeelte, hierachter bevindt zich een dwarsdeel. Dit type heeft vaak een kapberg bij de boerderij.
  3. De derde groep is gebaseerd op de Friese kop-romp boerderij met een centrale as, een langsdeel en aan één zijde de stallen. Er zijn kleine bijgebouwen zoals een varkensstal of een wagenberging.

Ook hier geldt dat er later diverse uitbreidingen en aanpassingen zijn geschied. Dakkapellen zijn toegevoegd en nieuwe schuren staan op het erf

Deze boerderijen zijn met traditionele materialen gebouwd.
De gevels zijn oorspronkelijk van rode baksteen, de dakpannen rood gebakken.
Soms zijn er houten topgevels. 

 

 

Brabants  of Zeeuws ?

Deze boerderijen hebben hier de bijnaam 'Zeeuwse boerderijtjes'.
Dat komt omdat er door de watersnood veel Zeeuwen naar de Polder kwamen.

Type C D H J K M O   512 Stuks

Een traditioneel gebouwde boerderij waarbij in traditionele materialen van hout en baksteen het woon- en werkgedeelte in 1 gebouw werden ondergebracht.

In het uitgifteplan van 1950 waren 544 bedrijven kleiner dan 18 hectare opgenomen. 

Uiteindelijk werden daar 512 of 513 van gebouwd door de Directie van de Wieringermeer onder leiding van A.D. van Eck, die zelf bij de plattegrondontwikkeling een belangrijke rol speelde.

 

De boerderijen werden op traditionele wijze in zeven typen gebouwd met woning en schuur onder één kap en met zowel gelijmde als geconstrueerde spanten.

 

De boerderijen van het type

  • C (1950, 92 stuks)
  • D (1950, 15 stuks)
  • J (1954-'57, 50 stuks)
  • K (1953-'58, 186 stuks)

waren bestemd voor bedrijven met overwegend akkerbouw.

De bedrijven met uitsluitend akkerbouw kregen rechte topgevels.
De boerderijen van gemengde bedrijven werden voorzien van wolfseinden.
Het schuurgedeelte kreeg deuren aan de lange zijde en lijkt daarmee het meest op een dwarsdeelboerderij; het type K had nog een zijdelingse uitbouw.

 

De typen

  • H (1951-'53, 97 stuks)
  • O (1958, 7 stuks)

waren vooral bedoeld voor weidebedrijven en

  • type M (1954-'57, 66 stuks)

voor akkerbouwbedrijven. Het laatstgenoemde type heeft een centrale tas en lijkt op een kop-rompboerderij met dwarsdeel.

Voor 978 boerderijen groter dan 24 hectare werd gekozen voor de bouw van een vrijstaande pachterswoning en een montageschuur. 

Ten behoeve van de eerste bedrijfsuitgave verrezen er in 1948 in eerste instantie 72 houten Oostenrijkse woningen met een bijbehorende houten noodschuur.
De schuren zijn vanaf 1952 vervangen. De houten huizen bestaan nog steeds, zoals Zwartemeerweg 46 bij Kraggenburg, Neushoornweg 11 te Emmeloord en Vollenhoverweg 22 bij Marknesse.

De overige pachterswoningen werden volgens 22 typen in traditionele bouw uitgevoerd, de oudste (1948) als twee-onder-een-kap, daarna vrijstaand (akkerbouw) of door een tussenlid met de schuur verbonden (weidebedrijf). Vanaf 1956 heeft men de woningen uitgevoerd als semi-bungalow.