Gemeentelijke monumenten Noordoostpolder

bron : Gemeente Noordoostpolder en Wikipedia

De Poldertoren

De Deel 25, Emmeloord
Complexnaam: Poldertoren
Postcode: 8302 EK
Objectnr: EM-57

Beschrijving

Inleiding

De multifunctionele “Poldertoren” is een markant, van grote afstand te herkennen ‘baken’ aan een groot plein, dat kan worden beschouwd als het hart van Emmeloord en de Noordoostpolder. Dit symbool van de eenheid van de polder en de overwinning op het water is gebouwd naar het winnende ontwerp van een prijsvraag, die in 1950 werd uitgeschreven door de Waterleiding Mij. Overijssel N.V. te Zwolle. Het oorspronkelijke, van 1951 daterende ontwerp voor de toren was van de Amsterdamse architect H. van Gent. De naar het motto ‘Utilis’ ontworpen toren kreeg de voorkeur boven de ontwerpen van de overgebleven concurrenten, de architect en stedenbouwkundige M.F. Duintjer (motto ‘Rode Toren’) en het architectenduo H. Mieras en B. van Kasteel (motto ‘Uilenspiegel’).
Van Gent’s idee diende als basis voor het definitieve, van 1954 daterende en in 1958-1959, door H. Fokkens uitgevoerde ontwerp, dat hij maakte in samenwerking met J.W.H.C. Pot. De toren heeft de stilistische kenmerken van een sobere, aan de Delftse School verwante baksteenarchitectuur. De 65,3 meter hoge Poldertoren kreeg zowel de functie van WATERTOREN als die van CARILLONTOREN en UITKIJKTOREN.
De toren is (was) voorzien van drie betonnen vlakbodemreservoirs met elk een inhoud van 425 m3. De toren bezit verder een uitkijkplatvorm en een uit 48 klokken samengesteld carillon, waarvan één klok tevens als luidklok functioneert. De klokken zijn gegoten door Klokkengieterij B. Eijs-bouts N.V. in Asten. De bekroning van de toren bestaat uit een vergulde koperen windvaan in de vorm van een koggeschip. De in 1976 en 1988 op de toren geplaatste antennes vallen buiten de bescherming.

Omschrijving

Vanuit een octogonale plattegrond opgetrokken, met grauwgele baksteen beklede toren van gewapend beton. De toren staat onder een piramidevormig, met koperen platen gedekte kap, waarvan de driehoekige dakschilden aan oost- en aan westzijde korter zijn dan de vijfhoekige aan noord- en zuidzijde. Alle gevelopeningen zijn rechtgesloten. De toren heeft vanuit het oosten gezien een symmetrisch opzet. De middelste gevelpartij is blind (tot halverwege de toren, op een liggende, niet te definiëren onderbreking van het gevelveld na). De cijfers en de wijzers van een uurwerk bevinden zich op en tussen drie
smalle, staande vensters met stalen kozijnen en de bijbehorende bakstenen penanten.
De gevelvelden aan weerszijden zijn spiegelbeeldig identiek aan elkaar en voorzien van gevelopeningen die excentrisch zijn geplaatst. Op de begane grond zijn dit twee hoge, staande vensters, daarboven drie keer twee boven elkaar geplaatste rechthoekige venstertjes, daar weer boven twee hoge vensters als die in de hiervoor beschreven travée. Nog twee rechthoekige venstertjes bevinden zich in het gevelveld daarboven. Van het bovenste deel van deze traveeën loopt één helft door tot de dakrand. De andere helft vormt mede de omlijsting van het grote galmgat in de toren. De westzijde van de toren
is vrijwel identiek aan de noordzijde. Alleen de liggende gevelopening ontbreekt hier. Ook de zuid- en de noordkant van de toren zijn vrijwel identiek aan elkaar en symmetrisch qua gevelcompositie. Waar echter de noordzijde op de begane grond is voorzien van een hoge en brede vensterpartij met niet oorspronkelijke aluminium kozijnen, heeft de zuidkant hierin tevens een toegangsdeur. Op de zelfde hoogte en identiek vormgegeven staan drie smalle venster met een uurwerk als die in de west- en oostgevel. De met betonnen dekplaten beklede bovenranden van deze traveeën markeren, evenals die aan
de oost-en westzijde, de onderkant van de galmgaten en de vloer van het uitkijkplatform. De kap van de toren is geplaatst op een dikke, aan de onderzijden afgeschuinde afdekplaat, die rust op de muren van de bovenste torengeleding. Deze muren (noord- en zuidgevel) bestaan uit haaks op elkaar staande muursegmenten aan weerszijden van de geveldelen die zijn voorzien van drie smalle openingen.
Het zeven-ledige inwendige van de toren is op de begane grond voorzien van een vloermozaïek van zwarte en witte keramische scherven. In de  zuidoostelijke binnenhoek bevindt zich een liftschacht. Op de begane grond staan acht, rechthoekige kolommen die de vrij liggende, slechts met bouten aan de buitenmuren bevestigde, achthoekige vloer van de eerste verdieping ondersteunen. In het midden staat een ronde betonnen kolom, die tevens de ommanteling van de aan- en afvoerleiding is. Radiaal van hieruit lopen de ondersteuningsbalken met afgeschuinde aansluitingsstukken naar de hoeken van de verdiepingsvloer. De trap naar de tweede geleding en het trapgat hebben een ijzeren balustrade.
De overige trappen, alsmede de trapleuningen en de balustrades rond de trapgaten zijn geheel van hout. In deze verder lege ruimte bevindt zich een constructie met kolommen en balken voor de vloer van de derde geleding die identiek is als die in de eerste bouwlaag, de ruimte heeft in het midden een octogonale paddestoelkolom en acht rechthoekige kolommen – als die in de vorige bouwlagen – waarop de onderrand van het waterreservoir rust. De vloer van de vierde geleding ligt iets boven de onderrand van het reservoir. De ruimte van de vierde, de vijfde en de zesde geleding is voor het grootste deel gevuld met de hoge, ronde reservoirbak, waaromheen nog slechts plaats is voor een vrij smalle omloop. De hoge vensters in de vijfde geleding staan evenals de kleinere vensters elders in de toren binnen een naar binnen kragend betonnen frame. De hoge vensters hebben bovendien een balustrade van buizen. De trapleuningen aan de raamkant hebben dezelfde samenstelling. De vloeren van de hogere geledingen vertrekken uit de wand van het reservoir en zijn bedekt met betonnen tegels. Het uitkijkplatform kan worden bereikt via een deur in een lichtkooi van staal en glas. In het midden van het platvorm staat de door een omhuizing beschermde speeltafel van het carillon. Het aan een ijzeren stellage opgehangen carillon bestaat uit 48 klokken van zeer
uiteenlopend formaat. Ze dragen onder meer de namen van de dorpen in de polder en die van de ingenieurs Van Eek en Lely. Tussen de “muurhaken” aan zuidzijde is een glazen wand geplaatst, waardoor hier een min of meer afgesloten ruimte is ontstaan, waarin zich de liftschacht bevindt. Het  uitkijkplatform heeft aan oost- en westzijde aan brede betonnen platen bevestigde, zigzaggende ijzeren balustrade. De smalle openingen aan noord- en zuidzijde zijn voorzien van eenvoudige ijzeren hekken.

Redengevende omschrijving

De poldertoren is van algemeen belang vanwege de cultuurhistorische, de stedenbouwkundige en de architectuurhistorische waarde.

  •  De Poldertoren is van cultuurhistorisch belang vanwege de multifunctionaliteit, als geografisch middelpunt van de Noordoostpolder, als symbool van de overwinning op het water en de eenheid van de polder, en als bijzondere uitdrukking van een geografische en landschappelijke ontwikkeling.
  •  De toren is van architectuurhistorisch belang vanwege de kwaliteiten van het ontwerp, vanwege zijn plaats in de typologische ontwikkeling van de watertoren in Nederland en vanwege het belang van de toren voor het oeuvre van een vooraanstaand architect.
  • De markante toren heeft grote stedenbouwkundige en ensemblewaarde als “landmark” en als essentieel onderdeel van een veelomvattend geheel dat in cultuurhistorisch en stedenbouwkundig opzicht van (inter)nationaal belang is. De stedenbouwkundige en ensemblewaarde van de toren worden versterkt door de situering van het object.
  •  De toren is tevens van belang vanwege de herkenbaarheid en de grote mate van gaafheid van in- en exterieur.
  • De toren heeft bovendien zeldzaamheidswaarde vanwege de typologische en functionele bijzonderheid.
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.